Column: beken en waterlopen

Wij zijn met een heel nest. Als blauwgrijze aderen doorkerven wij het landschap, op weg naar de Maas. Als de Maas de slagader is, dan zijn wij de kleine, fijne adertjes die bij de mens neus en wangen kleuren. Soms slijpen wij diep uit, zoals bij Servaas in Nunhem. Soms zijn we nauwelijks zichtbaar onder het gebladerte.

Column: de watermolen

Vijf watermolens, en allemaal barsten van de dorst: Uffelsemolen, Grathemermolen, Vogelmolen, Hammermolen en Friedessemolen. Die twee laatste slurpten nog wel het meeste maar die staan dan ook in Neer hè. Vlakbij de Maas, wil ik maar zeggen.

Column: de boomgaard

Hier staan we dan, gevieren. Vroeger waren we nog met twaalf, met die van hiernaast erbij gingen we royaal over de dertig. Onze armen gespreid en in een woud van takken omhoog, als de juichende tribune van een voetbalstadion.

Column: de patrijs

Wij patrijzen zijn deftige vogels, dáftig eigenlijk. Dat kun je al horen aan ons geluid: een kort rick..rick..rick. Met –ck, inderdaad. Zo daftig dus. Misschien dat u ons daarom ook alleen maar van het kerstdiner kent. Ach, geneert u zich maar niet heur.

Column: het wegkruis

Tegenwoordig hang ik er maar wat bij. Aan de rand van het veld, naast de weg of op een kruising. ’s Zomers helder afgetekend tegen een strakblauwe lucht en in het najaar even scherp maar droefgeestig tegen een loodgrijze hemel. Met regendruppels aan mijn doornenkroon.