Home > Paddenoverzet Limburg > Amfibieen op trektocht

Amfibieen op trektocht

Nu het voorjaar is aangebroken, gaan de amfibieën weer op weg om zich voort te planten. Daarvoor trekken zij vanuit hun overwinteringsplaats naar speciale voortplantingsgebieden zoals poelen of sloten. Een tocht die niet zonder gevaren is.


In Limburg komen alle vijftien in Nederland levende amfibieënsoorten nog voor. Voor de meeste amfibieënsoorten geldt dat hun leefgebied bestaat uit drie deelgebieden. Dit zijn een voortplantings-, een zomer- en een winterleefgebied. Voor amfibieën is het van belang dat deze drie leefgebieden niet al te ver van elkaar liggen, omdat deze dieren, afhankelijk van de soort, slechts enkele meters tot enkele kilometers kunnen afleggen. Om van het ene leefgebied naar het andere te komen zijn goede verbindingszones noodzakelijk. Een gevarieerd landschap met poelen, ruigtes, houtsingels en heggen is voor amfibieën een geschikte leefomgeving.

 

Paddentrek
De trek van amfibieën tussen de drie leefgebieden, de paddentrek, vindt drie keer per jaar plaats. De bekendste en ook de omvangrijkste is de voorjaarstrek. De amfibieën ontwaken in het voorjaar uit hun winterslaap en gaan dan vanuit hun winterleefgebied meteen richting het gebied waar ze zich voortplanten. Het begin van deze trek is grotendeels afhankelijk van het weer. Het merendeel van de amfibieën gaat 's nachts op pad waneer het relatief warm, vochtig, liefst regenachtig weer is. Voor de bruine kikker geldt bijvoorbeeld een gemiddelde temperatuur van minimaal 4° C, maar tussen de 6° C en 9° C vindt de grootste activiteit plaats. De gewone pad komt pas boven de 4,5° C in actie. Meestal begint de trek onmiddellijk na het invallen van de duisternis, met als zwaartepunt tussen 19.00 en 22.00 uur. De twee andere trektochten vinden plaats wanneer de amfibieën op weg gaan naar hun zomer- of winterleefgebied. Deze beweging is veel minder massaal. Op hun weg naar een ander leefgebied moeten de dieren soms hindernissen overwinnen die niet zonder risico's zijn. Zo zijn wegen die de verschillende leefgebieden doorsnijden vaak een behoorlijke barrière. Wegen eisen veel slachtoffers omdat het wegdek lekker warm is waardoor amfibieën er langer op blijven zitten. In de zomer en het najaar worden ook wel dieren doodgereden, maar dit staat niet in verhouding tot de aantallen die tijdens de voorjaarstrek te betreuren zijn. Om te zorgen dat zoveel mogelijk amfibieën veilig de weg over komen helpen vrijwilligers bij de paddentrek. Deze paddenoverzetacties, die al sinds 1975 worden gehouden, vragen ieder jaar weer veel tijd en inzet van de vrijwilligers.

 

Eisen van de amfibie aan zijn omgeving
Amfibieën leven het liefst op plaatsen met een gematigd klimaat, niet te koud en niet te warm. Bij hoge temperaturen verliezen amfibieën veel vocht omdat ze een naakte huid hebben. Daarom zitten ze graag op vochtige plaatsen. Alle amfibieën hebben voor de voortplanting water nodig. De eisnoeren of eiklompjes worden afgezet in niet te diep of zelfs ondiep water. Direct na de gedaanteverwisseling, metamorfose, verlaten de jonge kikkers, padden en salamanders het water en leven in de nazomer verder op het land net als hun ouders. Het leefgebied voor de zomer is bij voorkeur structuurrijk. De planten, struiken en bomen zorgen voor een gevarieerde vegetatie waar ze voldoende voedsel en plaats om te zonnen en te schuilen vinden. Deze zomerleefgebieden liggen vaak op overgangen van natte naar droge gebieden. Ze bestaan uit verschillende landschapstypen en -elementen zoals bosranden, houtsingels, zoomvegetaties en oeverzones. De meeste amfibieën overwinteren ook op het land. Vaak is het leefgebied waar ze overwinteren hetzelfde als dat van de zomer. De winteromgeving bestaat uit vorstvrije plekken zoals spleten, holletjes in de bodem, onder houtstapels en plantenmatriaal.

 

Alle soorten op een rij


Kikkers
De bruine kikker is de meest algemene amfibieënsoort. Hij is te vinden in allerlei landschapstypen en in zeer uiteenlopende watertypen zoals diepe en ondiepe poelen of plassen. Zijn leefgebied in de zomer is zeer divers en overwinteren doet hij zowel op het land als in het water, zelfs in beken. Vanaf maart, soms al half februari ontwaakt de bruine kikker en gaat meteen op weg naar de plaats waar de voortplanting plaatsvindt. De trek duurt tot eind april.
Groene kikkers beginnen relatief laat met hun voortplanting. Ze overwinteren vlak bij of in het water en komen eind april, begin mei tevoorschijn. De eiklompen worden afgezet op plaatsen met vrij veel waterplanten. De grote groene kikker of meerkikker plant zich voort in zonnige sloten en in de grotere open wateren. In de zomer zit hij in waterrijke gebieden en in de winter onder water op de bodem. De middelste groene kikker is een kruising tussen de grote en kleine groene kikker, maar kan zich ook voortplanten. Deze kikker stelt van de drie groene kikkers de minste eisen aan zijn leefomgeving. Hij komt dan ook het meest voor. De kleine groene kikker of poelkikker plant zich in tegenstelling tot zijn grote soortgenoot voort in zonnige kleine wateren met veel waterplanten. 's Zomers bevindt hij zich in gebieden met een hoge grondwaterstand. Hij overwintert op het land.
Reeds vroeg in het voorjaar trekt de heikikker naar de voortplantingsplaats. Dit zijn ondiepe en onbeschaduwde voedselarme watertjes of vennen. De heikikker wordt sterk bedreigd doordat zijn voortplantingsplaatsen verzuren. Ook de daling van de grondwaterstand speelt hierbij een belangrijke rol. De zomer brengt hij door in vochtige biotopen en de winter in natte graslanden, vochtig ruig bosrijk terreinen, onder dichte vegetaties en boomstronken.
De leefgebieden van de zeer zeldzame boomkikker zijn in Limburg thans beperkt tot enkele gebiedjes in Midden-Limburg. De boomkikker overwintert tussen de wortels van bomen en struiken. Meestal komen ze omstreeks half april uit hun overwinteringsplaats tevoorschijn en trekken naar de voortplantingsgebied. Boomkikkers houden van stilstaand water waaronder grote zonnige sloten, tichelgaten en grote poelen. Hun voorkeur gaat uit naar poelen die in de winter droogvallen waardoor dieren zoals vissen die hierin leven en boomkikkers, larven en eitjes eten, afsterven. 's Zomers zit hij in zeer structuurrijke vegetatie waar veel voedsel is te vinden. Deze begroeiing bestaat uit bomen, rietland, moerassen, langs bosranden, in struiken en houtsingels. In tegenstelling tot andere kikkers is hij een echte zonneaanbidder.

 

Padden
De gewone pad is al vanaf half februari op weg. De trek is zeer massaal. De gewone pad is traag waardoor bij deze soort veel slachtoffers vallen. Deze pad stelt geen strikte eisen aan zijn voortplantingsbiotoop. Allerlei typen water waaronder grote wateren en weilandpoelen met rechtopstaande planten voor de eiafzet komen in aanmerking. Hij heeft wel de neiging om telkens terug te keren naar zijn geboortepoel. Ook is hij weinig kieskeurig voor wat betreft zijn zomerverblijf en hij overwintert gewoon op het land.
De vroedmeesterpad leeft bij voorkeur op een steenachtige grond. De voortplanting vindt plaats op het land. Het mannetje draagt een snoer van eieren aan de achterpoten met zich mee. Tegen de tijd dat de eieren uitkomen zoekt het mannetje het water weer op. Dit kan zowel een poel in steengroeven, een zonnige weilandpoel, een grote bronbospoel als een open poel zijn. In de zomer vertoeft hij het liefst in een stenige omgeving zoals steengroeven, maar ook op kerkhoven en boerenerven is hij te vinden.
Van de zeldzame knoflookpad is bekend dat hij zijn eitjes zowel in voedselrijke poelen, vennen en plassen als in voedselarme wateren legt. De eieren worden afgezet tussen de waterplanten. Voor wat betreft zijn zomerleefgebied is hij kieskeurig. Hij leeft in holen die zelf gegraven zijn in rullige, zandige bodems zoals stuifduinen, maar ook op akkers. Ze overwinteren op ongeveer één meter diepte op het land.


De voortplantingswateren van de geelbuikvuurpad moeten aan bijzondere eisen voldoen. Het zijn ondiepe plasjes of zonbeschenen poelen met een drassige oeverzone. De voorkeur gaat uit naar droogvallende poelen. Vaak zitten er geen andere amfibieën in dit water. In de zomer zit deze pad op hellingen, in steengroeven en nabij bos of bosranden. 's Winters leeft hij op het land.
De rugstreeppad plant zich voort in vooral nieuwe ondiepe poelen en plassen die in de loop van de zomer droogvallen, maar ook in pas opgeschoonde greppels. In de zomer bevindt hij zich in gebieden die een zandige en grindige bodem met een karige begroeiing hebben. In deze bodems kan hij goed graven. Hij overwintert gewoon op het land. De rugstreeppad is een echte pionier. Hij vindt heel vlug nieuwe poelen, plassen of ondergelopen weilanden.

 

Salamanders
De kamsalamander of grote watersalamander komt over het algemeen later uit zijn winterverblijfplaats dan de andere watersalamanders, pas vanaf april. Hij lijkt een voorkeur te hebben voor grotere poelen met enerzijds een aflopend talud (voor het verlaten van de poel en een goede opwarming van het water voor de ontwikkeling van de eieren) en anderzijds een steil aflopend, diep deel zonder begroeiing. Om te bevorderen dat deze salamanders in een poel komen is pluksgewijze begroeiing in het water gewenst. Dit heeft te maken met hun paargedrag. Ze verstoppen zich onder de waterplanten en paren in het open water tussen deze planten. In de zomer kunnen ze worden aangetroffen in vochtig weidelandschap met bosjes. Ze overwinteren zowel op het land als in het water.
Vanaf eind februari ontwaken de kleine watersalamanders waarna ze in de loop van maart naar de voortplantingsplaats trekken. Deze salamander kan in ondiepe poelen, zonnige poelen, sloten en plassen met veel waterplanten worden aangetroffen. De salamanders kunnen hier goed fourageren en zich verschuilen. Op de bladeren van de planten worden de eieren afgezet. De kleine watersalamander zoekt in de zomer bij voorkeur vochtige weilanden op. In de winter zit hij in gaten in de aarde of onder bladhopen.
De alpenwatersalamander plant zich voort in allerlei watertypen. Stilstaand of zwak stromend, voedselrijk of -arm, beschaduwd of onbeschaduwd, het maakt niet zoveel uit. De voortplantingstijd ligt vanaf april tot eind mei. Voortplantingspoelen liggen vaak in bosrijke omgeving, bos- en weidepoelen. 's Zomers leven deze dieren in bosrijk, heuvelachtig terrein.
De vinpootsalamander heeft zijn voortplantingsplek in matig voedselrijke vennen en bos- of bronpoelen. Voor de zomer verkiest hij bosrijk gebied met een zandige bodem.
De vuursalamander is de enige vertegenwoordiger van de landsalamanders in ons land. Dit zeldzame dier is eierlevendbarend (de eitjes komen in de buik van het vrouwtje al uit). Hij zit in bronpoelen en langzaam stromende bronbeekjes. Een voorwaarde is dat het water zuurstofrijk is. Drinkpoelen hebben voor deze soort dan ook weinig betekenis. In de zomer bevindt hij zich in vochtige bossen. Hij overwintert in gaten en holen in het bos.

 

Poelen
Poelen zijn niet alleen van belang voor de vele planten en dieren die erin leven. Voor bijna alle in Nederland levende amfibieënsoorten geldt dat poelen ideale voortplantingsplaatsen zijn. Het stilstaande water heeft als voordeel dat het in het voorjaar snel opwarmt waardoor de ontwikkeling van de eitjes en larven wordt bevorderd. Poelen zijn over het algemeen gegraven watertjes die her en der verspreid liggen in het landschap. Wanneer ze in weilanden liggen hebben ze meestal als veedrinkplaats gediend. Bij bebouwing hadden ze ook vaak de functie van bluswaterreservoir. Aan de ligging van een poel kunnen vaak aanwijzingen worden ontleend over het gebruik en ontstaanswijze van het landschap. De meest logische locatie voor een poel is, ook cultuurhistorisch gezien, daar waar zich in de ondergrond een ondoorlatende laag bevindt. Een laag van klei of leem. Een permanente toevoer van grondwater is ook een van de voorwaarden. Daarnaast zijn er ook poelen die onder het grondwaterniveau liggen of in een gebied waar de grondwaterstand hoog is.

 

Aanleg van een poel
Naast het herstel van poelen worden steeds vaker nieuwe poelen gegraven. Voor het behoud en terugkeer van amfibieën is het belangrijk om bij de aanleg en herstel van poelen eerst te kijken of de locatie voldoet aan eisen die amfibieën stellen. Dit is per amfibieënsoort verschillend. Daarnaast moet de poel voldoende watertoevoer hebben, veel zon en een rustige ligging. Poelen kunnen op verschillende manieren worden aangelegd.
De eerste is een diepe sloot met steile taluds. De smalle diepe poel biedt weinig mogelijkheden voor planten en dieren in de zomer, maar is wel een geschikt overleefgebied bij extreme droogte en vorst. De tweede is een ondiepe poel met flauwe taluds. Het water hierin warmt snel op en het geheel vangt veel licht. Het vormt daardoor een uitstekende leefomgeving voor een veelheid aan planten en dieren. De combinatie van de twee vormen biedt echter het meeste perspectief. Dit is een poel met aan één of twee zijden een berm (zie 3 en 4). Bij het graven van een poel is het zaak om aan de noordzijde een glooiend talud te maken. Deze kant wordt het langst door de zon beschenen. Een ruwe afwerking ervan kan ook bevorderlijk zijn. Overige taluds mogen ook niet te steil zijn in verband met mogelijke afspoeling van grond.

 

Bedreigingen
Alhoewel veel amfibieën het leven laten bij de voorjaarstrek is dit niet de oorzaak van de achteruitgang van soorten. Als een van de voornaamste oorzaken van de afname van amfibieën geldt het verdwijnen van voortplantingspoelen. Deze poelen maken onderdeel uit van het kleinschalige cultuurlandschap dat door de combinatie van geschikte voortplantingswateren en landbiotopen zoals bos, houtsingels en extensief gebruikte weilanden, van belang is voor deze dieren. Juist deze kleinschalige landschappen staan nog altijd onder druk van schaalvergroting, ruilverkaveling, toepassing van bestrijdingsmiddelen, versnippering, de kwaliteit van het water en recreatie. Niet alleen poelen, maar ook heggen, houtsingels en hakbosjes hebben hun oorspronkelijke functie en economische betekenis op boerenbedrijven verloren. Ze worden vaak verwaarloosd of verdwijnen, waardoor ook de verbindingswegen tussen deelgebieden en landbiotopen van amfibieën onder druk komen te staan.
Om de bedreigingen waaraan veel leefgebieden van amfibieën bloot staan een halt toe te roepen, worden aan alle kanten inspanningen verricht om het voor deze dieren zo aantrekkelijk mogelijk te maken om in een gebied te blijven of terug te keren. Regelmatig worden daarom nieuwe poelen aangelegd of hersteld. Verder worden andere kleine landschapselementen die van belang zijn voor een goed amfibieënleefgebied hersteld en onderhouden. Daarnaast worden her en der kostbare maatregelen getroffen zoals de aanleg van amfibieënpassages. Bij al deze maatregelen blijft echter de enthousiaste inzet van vrijwilligers en schooljeugd de beste garantie voor het behoud van deze soorten.

Voor de aanleg van poelen in de buitengebieden van Limburgse gemeenten (dus niet in tuinen of erfbeplanting) kan voor advies contact worden opgenomen met de stichting IKL, tel: 0475-386430.