Het plotsklaps opborrelen of uitsijpelen van grondwater heeft altijd tot de verbeelding van de mens gesproken. In Zuid-Limburg is dit op zo'n 750 plekken het geval. Indien het water zijn weg voortzet als beekje spreken we van een bron. Voor de mens zijn deze bronnen altijd favoriete plekken geweest. Hier was altijd vers water aanwezig. Het kon gebruikt worden voor drinkwater, voor het vee, maar ook als spoelwaterreservoir.
Water dat zo maar uit de grond borrelt, komt natuurlijk ergens vandaan. Vandaar dat we eerst even stilstaan bij het ontstaan van grondwater. Het water in de bodem van de aarde wordt voor een belangrijk deel aangevoerd in de vorm van regen, sneeuw en hagel. Naast deze atmosferische toevoeren vullen ook grote oppervlaktewateren als rivieren en meren het grondwaterreservoir aan. Nu kan dit water in de bodem in verscheidene toestanden voorkomen.
Het water kan zich in de losse bovengrond hechten aan losse bodemdeeltjes, waar het maar moeilijk van los komt. Waar de deeltjes van de bodem dichter worden, ontstaan holten en kanaaltjes van wisselende grootte. Na een regenbui sijpelt het water hierdoor naar beneden. In de wat zwaardere bodem als klei en leem kan dit water onder invloed van capilaire krachten blijven hangen. In zo’n geval spreekt men van een hangwaterzone. Het water ‘hangt’ als het ware boven de grondwaterspiegel. Beneden dit niveau zijn alle poriën en holten in de bodem met water gevuld. Tenslotte kan het water ook nog in grote hoeveelheden voorkomen in poreuze gesteentes, grindlagen of diep gelegen grondmassa’s. Dit zijn de zogenaamde watervoerende lagen.
Bronnen en kwel
In hellinggebieden kunnen ondoorlatende bodemlagen bij een bepaalde hellinghoek aan de oppervlakte komen. Het water stroomt over zo’n ondoorlatende laag zijdelings weg. Waar zo’n ondoorlatende laag aan de oppervlakte treedt, treedt ook het water naar buiten. Dit dagzomen van het grondwater kan zowel borrelend in geconcentreerde vorm of verspreid en stil sijpelend gebeuren. Als het grondwater in de vorm van een bronbeekje wordt afgevoerd, is er sprake van een bron. Wanneer het opkomend water niet afgevoerd wordt via een beekloopje, hebben we het over een kwelzone. Een kwelzone is dus een moerassig gebied waar geen geconcentreerde afvoer plaatsvindt.
Permanente afvoer
Bronnen kunnen op grond van diverse kenmerken worden ingedeeld. Zo kan men aan de hand van de hydrologische of waterloopkundige kenmerken en onderscheid maken tussen permanente bronnen, die het hele jaar door water voeren en periodieke bronnen. De bronnen in Zuid-Limburg zijn meestal permanent watervoerend. Bij periodieke bronnen schommelt de hoeveelheid water geregeld. Er zijn ook bronnen die slechts gedurende een deel van het jaar water geven. In de hydrologie spreekt men dan van een intermitterende bron.
Poel- en moerasbronnen
Een andere indeling van bronnen is gebaseerd op de wijze waarop het grondwater uittreedt. Dat kan in de vorm van een poel, een stort of borrelbron, een puntbron en een moeras- of sijpelbron.
Poelbronnen oftewel limnokrenen (limnos = meer) treffen we onder meer langs het Miljoenenlijntje in Eys-Wittem aan. Aan de kleine Gracht in Schin op Geul en langs de Gulp in Gulpen. Het grondwater borrelt op uit de bodem van een trechtervormige poel of vijver en daar waar de poel overloopt ontstaat een bronbeek. Er is sprake van moeras- of sijpelbronnen indien het water over een groot oppervlak in diffuse wijze boven het maaiveld uittreedt. Hierdoor ontstaat een moerassig of drassig gebied waarvan het water op het laagste punt een klein stroompje vormt. Voorbeelden hiervan vinden we onder meer in het Waalbroek in Bocholtz en de Sinzelbeek in Vaals.
Puntbronnen
Wanneer het grondwater op een punt boven de aarde komt en direct een stroompje vormt, spreken we van een puntbron of akrokreen (akros = begin). Dit soort bronnen treffen we het meeste aan in Zuid-Limburg. Bij stort- of borrelbronnen komt het water met grote snelheid uit een loodrechte wand of helling gestroomd. Dit type komt vrijwel uitsluitend op stenige bodems voor. Echte stortbronnen worden in Limburg niet aangetroffen.
Botanische rijkdom
De botanische rijkdom van bron- en kwelmilieus varieert van bron tot bron. Dit komt met name door de grote verscheidenheid van natte, drassige en droge milieus in combinatie met verschillende bodemsoorten als grind, zand, leem of veen. In plantenkundig opzicht zijn vooral moeras- of sijpelbronnen vrij rijk aan soorten. Enkele karakteristieke plantensoorten voor een kalkrijk bronmilieu zijn de bittere veldkers, paarbladig en verspreidbladig goudveil en hangende zegge. Van de sporendragers zijn met name de reuzenpaardenstaart en diknerfmos van belang. Doordat het bronmilieu in Nederland zeldzaam is geworden, zijn de genoemde soorten in ons land vrij tot zeer zeldzaam.
Van de soorten die iets minder specifiek zijn voor bron- en kwelmilieus kunnen dotterbloem, bosbies, echte waterkers, kleine watereppe en slanke sleutelbloem genoemd worden. Bronnen worden regelmatig omgeven met bomenpartijen. Indien dit het geval is dan groeien er meestal essen en zwarte elzen. Deze soorten komen van nature in bronbossen voor.
Ongewervelden
De belangrijkste diergroep van het bron- en kwelmilieu is de macrofauna. Dat zijn de met het blote oog zichtbare ongewervelde waterdieren. Een aantal macrofaunasoorten is specifiek aan het bron- of kwelmilieu gebonden. De meest karakteristieke soorten van Zuid-Limburg zijn (blinde) vlokreeft-, platwormen, diverse kevers, tweevleugeligen en steenvliegen. De macrofauna wordt vaak gebruikt voor de beoordeling van de biologische waterkwaliteit. Het meest gebruikte systeem hiervoor (systeem van Moller Pillot) onderscheidt een vijftal verzamelingen van macrofaunasoorten die kenmerkend zijn voor een bepaalde mate van verontreiniging. Elke verzameling heeft de wetenschappelijke naam gekregen van één van de meest opvallende soorten.
Bedreigingen
Bij een onderzoek in het Mergelland in 1989 werden ongeveer 750 plaatsen aangetroffen waar het grondwater geconcentreerd of diffuus uittreedt. Deze bronnen en kwelzones hebben echter vrijwel zonder uitzondering direct of indirect te lijden van menselijke invloeden. Het bronmilieu heeft in dit verband te maken met verrijking van mineralen (eutrofiëring), verdroging en verontreinigingen.
Voedingsgebied
Eutrofiëring gebeurt met name door het uitspoelen van mest van de landbouwgronden. Dit is vooral het geval bij bronnen die in landbouwgebieden voorkomen. Een andere vorm van verontreiniging kan voortkomen uit doorsijpelend, vervuild (percolaat) water uit vuilstorten, in groeven en door geconcentreerde afspoeling van bijvoorbeeld landbouwwater of riooloverstortwater via waterlopen of terreinlaagten. Verder kunnen bronnen droogvallen door grondwaterwinning. Tenslotte is ook de toename van het verharde oppervlakte door bijvoorbeeld asfaltering in het voedingsgebied van de bron funest voor de toevoer van water. Door de versnelde afvoer van regenwater komt er steeds minder grondwater beschikbaar, waardoor bronnen tenslotte droog kunnen vallen.
Afval
De bronnen en kwelzones worden bovendien direct bedreigd door het storten van afval, het met grond opvullen, het vergraven, het aanleggen van greppels, afvoerbuizen en drainpijpen. Zware bemesting bij bronnen is ook slecht voor het bronmilieu. Dat geldt ook voor vertrapping door het vee en het rijden van zware voertuigen door het brongebied.
Door eenvoudige maatregelen kan een aantal van de bovengenoemde, directe bedreigingen teniet worden gedaan. Zo kan men bronnen in weiland voorzien van een raster, waardoor vertrapping door het vee wordt voorkomen.
Verder kan vuilstort worden verwijderd en kunnen drainages, vergravingen en ophogingen opgeheven worden. Het maaien van de vegetatie kan het beste in het najaar gebeuren en door het maaisel af te voeren kan verruiging van de bron-/kwelvegetatie worden beperkt.
Verder kan vuilstort worden verwijderd en kunnen drainages, vergravingen en ophogingen opgeheven worden. Het maaien van de vegetatie kan het beste in het najaar gebeuren en door het maaisel af te voeren kan verruiging van de bron-/kwelvegetatie worden beperkt.
Stringente maatregelen
Het recent uitgevoerde bronnenproject is een eerste aanzet tot het herstel en behoud van de bronnen. Om de waterkwaliteit van de bronnen te verbeteren zijn echter meer ingrijpende maatregelen noodzakelijk. Door stringente toepassing van de Wet Bodembescherming en de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren kan de bemesting in de infiltratiegebieden teruggebracht worden en ervoor gezorgd worden dat percolaatwater uit vuilstortwater de bron- en kwelgebieden niet kan bereiken. Een andere maatregel om bron- en kwelgebieden te behouden bestaat uit de aankoop door natuurbeschermingsorganisaties. Er dient vervolgens wel een goed beheer uitgevoerd te worden. Ook zouden brongebieden aangewezen kunnen worden als beheersgebied in het kader van de relatienota. Ook het Waterschap Roer en Overmaas streeft in haar beleid naar eigendom, beheer en onderhoud van ecologische en hydrologische bronnen.
Tenslotte is het van belang dat bij het opstellen van bestemmingsplannen deze brongebieden een planologische bescherming krijgen.
