Hakhoutbeheer


Een veel door IKL toegepaste vorm van onderhoud is het zogenaamde hakhoutbeheer. Van oudsher wordt dit uitgevoerd in smalle beplantingsstroken wanneer houtwallen, singels, graften, holle wegen en bosjes verjongd moeten worden. Dit is het geval als de voorheen dichtbegroeide en goedgestructureerde elementen gaan bestaan uit losstaande en schaduwrijke bomen.

 

In veel gevallen leidt dit tot overlast en schade door overhangende takken. Door de schaduw verdijnt de vaak de ondergroei in de randen van het element. Er is dan ook nauwelijks voedsel, beschutting en nestgelegenheid te vinden voor insecten, vlinders, vogels en kleine zoogdieren.

 

Bij dit hakhoutbeheer wordt een deel van de bomen en struiken bij de grond afgezaagd. In het begin oogt dit kaal, maar de waarden voor de natuur, nemen door dit gerichte ingrijpen enorm toe. Door de toename van zonlicht lopen de afgezaagde houtstobben al snel uit tot struiken. Het resultaat na enkele jaren is een mooie, dichte houtwal of graft met een gevarieerde opbouw van bomen, struiken en planten. Heel veel planten en dieren krijgen door dit onderhoud nieuwe kansen. Langs de beplanting ontstaan zonnige, windluwe plekken waar vlinders op af komen en vleermuizen ’s nachts op insecten kunnen jagen.

 

Het hakhoutbeheer wordt altijd verdeeld over meerdere jaren. Zo blijft de verstoring van het landschapsbeeld beperkt. Bovendien wordt er voor gewaakt dat er in de omgeving altijd genoeg beschutting, nestgelegenheid en voedsel overblijft voor zoogdieren, amfibieën, vogels en insecten.

 

 

Afzetten, knotten en scheren van hagen


Afzetten
Afzetten is bij het beheer van groene landschapselementen een veel toegepaste beheersmaatregel. Het principe is eenvoudig: de bomen en struiken worden dicht bij de grond afgezaagd. De bedoeling daarbij is dat uit de slapende knoppen in de stobbe, het resterende stamgedeelte weer nieuwe loten ontspruiten. Na verloop van tijd zullen die uitgroeien tot nieuwe stammen. Die worden bij een volgende onderhoudsbeurt op dezelfde wijze afgezaagd. De periode voor het terugkerend onderhoud kan variëren van 5 tot 25 jaar en is afhankelijk van de houtsoort, bodemtoestand en gebruiksdoel van de beplanting.

 

Veelal zal bij houtwallen, houtsingels, graften en holle wegen gekozen worden voor toepassing van hakhoutbeheer met behoud van overstaanders. Dat zijn bomen die in de begroeiing gehandhaafd blijven als opgaande boom en dus niet afgezet worden bij een onderhoudsbeurt. Deze beheersvorm (hakhout met overstaanders) is een optimaal compromis. Enerzijds beperkt het de overlast van de begroeiing aangrenzende landbouwpercelen, en anderzijds schept het gunstige ecologische omstandigheden met veel variatie in het element.

 

Bij afzetten van hakhout worden de volgende voorwaarden in acht genomen:

  • Doorgaans is de periode vanaf 1 september tot 15 maart geschikt, ook omdat in deze tijd weinig verstoring plaats zal vinden van (broedende) vogels. Afzetten moet niet gebeuren in het begin van het groeiseizoen als de opwaartse sapstroom van de bomen al op gang is gekomen.
  • Bij berk, esdoorn en haagbeuk komt de opwaartse sapstroom al in januari op gang. Het afzetten van deze soorten dient daarom bij voorkeur te gebeuren in de periode september tot en met december.
  • De stammen moet niet te laag bij de grond worden afgezaagd. Dunne stammetjes kunnen op ongeveer tien centimeter hoogte worden afgezaagd. Bij dikke stammen is  de zaaghoogte 20 tot 30 centimeter.
  • Om inrotten van de stobben te voorkomen wordt aanbevolen om de stobbe glad en enigszins schuin af te werken na het afzagen.
  • De stobbe kan alleen uitgroeien als er voldoende licht op valt en niet wordt overwoekerd door andere begroeiing. Als ervoor wordt gekozen om het takhout in de begroeiing achter te laten dient dit daarom zorgvuldig op rillen of hopen tussen de stobben gestapeld te worden. In het eerste groeiseizoen moet gecontroleerd worden of het nodig is om te sterk concurrerende begroeiing (zoals braam of vlier) terug te dringen.

Knotten
De beheersmaatregel knotten is feitelijk hetzelfde als afzetten, met als verschil dat bij knotten de stam plus uitlopende takken worden afgezaagd op een grotere hoogte boven de grond. De afgezaagde takstobben lopen weer uit en vormen een nieuwe kroon. Deze beheersvorm kan aantrekkelijk zijn om grote en zware bomen in een beplanting te handhaven met relatief weinig overlast en concurrentie op aangrenzende landbouwgronden. Meestal wordt bij knotbomen gedacht aan wilgen, maar in werkelijkheid kunnen bijna alle boomsoorten in geknotte vorm voorkomen. In graften en holle wegen komen veel geknotte haagbeuken, eiken en essen voor.

  • Doorgaans is de periode vanaf 1 september tot 15 maart geschikt, ook omdat in deze tijd weinig verstoring plaats zal vinden van (broedende) vogels. Vanwege het vroeg op gang komen van de sapstroom bij berk, esdoorn en haagbeuk (vanaf januari) dienen deze bomen geknot te worden in de periode september tot en met december.
  • De takken worden op een lengte tot circa 5 centimeter van de knot afgezaagd, afhankelijk van de dikte. Ook hier wordt tegen inrotten aanbevolen om de zaagsnede glad en enigszins schuin af te werken na het verwijderen van de tak.
  • Bomen die lang niet meer zijn geknot en zware takken hebben lopen soms moeilijk opnieuw uit. Dat is afhankelijk van de boomsoort, vitaliteit en de groeiplaats. Bij twijfel is het raadzaam om deskundig advies in te winnen.
  • Bij het zagen van zware takken bestaat het gevaar dat grote snoeiwonden ontstaan door het afscheuren. Dat moet voorkomen worden door de tak in twee fasen af te zagen. Eerst op grote afstand (dertig centimeter) van de stam, waarbij om te beginnen een zaagsnede van onderaf wordt gemaakt die het inscheuren moet voorkomen. Daarna wordt de tak van bovenaf afgezaagd, iets voorbij deze zaagsnede. Tenslotte wordt de resterende stomp vlak afgezaagd bij de knot.


Opsnoeien en vormsnoei
Vrijstaande opgaande bomen hebben van nature geen takvrije stam.  Als een takvrije stam en bepaalde kroonvorm gewenst is, zal het noodzakelijk zijn om gedurende de groei periodiek in te grijpen. Bij overstaanders in lijnvormige elementen en bomen in de bermen van wegen zal daar vaak voor gekozen worden. Opsnoeien is het verwijderen van alle zijtakken tot een bepaalde hoogte. Doorgaans gebeurt dit in fases tijdens de groei, totdat de gewenste hoogte van de takvrije stam is bereikt. Daarnaast kan vormsnoei in de kroon nodig zijn om bij blijvende bomen een fraai gevormde en evenwichtige kroon te bereiken. Bij vormsnoei gaat het om verwijderen van dood hout (indien nodig om overlast of gevaar te voorkomen), het verwijderen van dubbele toppen en het verwijderen van zogenaamde zuigers. Dat zijn rechtopstaande snel groeiende takken in de boomkroon die concurreren met de opgaande hoofdtak.

Bij het opsnoeien en vormsnoei dienen de onderstaande voorwaarden in acht genomen te worden.

 

  • Opsnoeien en vormsnoeien moeten niet gebeuren in het begin van het groeiseizoen als de opwaartse sapstroom van de bomen al gang is gekomen. Doorgaans is de periode vanaf 1 september tot 15 maart geschikt.
  • Bij sommige soorten, waaronder berk, esdoorn en haagbeuk, komt de opwaartse sapstroom al in januari op gang. Het snoeien van deze boomsoorten dient daarom bij voorkeur te gebeuren in de periode september tot en met december.
  • Bij het opsnoeien dient het afzagen van de takken correct te gebeuren, zodanig dat de wond snel overgroeit en afgesloten wordt. Er mogen geen takstompen (‘kapstokken’) blijven staan, maar het is ook niet goed om de takken dicht langs de stam loodrecht af te zagen. De takken moet direct boven het takoksel dwars op hun groeirichting afgezaagd worden.


Hagen
Traditoneel worden de heggen in Zuid-Limburg jaarlijks gesnoeid. Als de omstandigheden het toelaten kan ook gekozen worden voor eens in de twee jaar. In bijzonder gevallen kan gekozen worden voor een veel langere snoeicyclus, van bijvoorbeeld zes jaar of tien jaar. In het Maasheggengebied in Noord-Limburg en Brabant is dat gebruikelijk.

  • Het scheren van heggen met een cyclus van een of twee jaar kan in principe het hele jaar door gebeuren. In de periode van 15 maart tot eind juli) is dat ongewenst vanwege verstoring van broedvogels.
    Het scheren kan met (motor)handgereedschap worden uitgevoerd, maar ook met daarvoor geschikte machines.
  • De klepelmaaier is niet geschikt omdat deze veel beschadigingen en wonden in het hout veroorzaakt. Een van nadelen daarvan is bij meidoorns een groter risico op infectie met bacterievuur. Een vingerbalk-knipmachine levert betere resultaten op.

 

 

Bronnen en kwelzones in Zuid-Limburg


Het plotsklaps opborrelen of uitsijpelen van grondwater heeft altijd tot de verbeelding van de mens gesproken. In Zuid-Limburg is dit op zo'n 750 plekken het geval. Indien het water zijn weg voortzet als beekje spreken we van een bron. Voor de mens zijn deze bronnen altijd favoriete plekken geweest. Hier was altijd vers water aanwezig. Het kon gebruikt worden voor drinkwater, voor het vee, maar ook als spoelwaterreservoir.

Water dat zo maar uit de grond borrelt, komt natuurlijk ergens vandaan. Vandaar dat we eerst even stilstaan bij het ontstaan van grondwater. Het water in de bodem van de aarde wordt voor een belangrijk deel aangevoerd in de vorm van regen, sneeuw en hagel. Naast deze atmosferische toevoeren vullen ook grote oppervlaktewateren als rivieren en meren het grondwaterreservoir aan. Nu kan dit water in de bodem in verscheidene toestanden voorkomen.
Het water kan zich in de losse bovengrond hechten aan losse bodemdeeltjes, waar het maar moeilijk van los komt. Waar de deeltjes van de bodem dichter worden, ontstaan holten en kanaaltjes van wisselende grootte. Na een regenbui sijpelt het water hierdoor naar beneden. In de wat zwaardere bodem als klei en leem kan dit water onder invloed van capilaire krachten blijven hangen. In zo’n geval spreekt men van een hangwaterzone. Het water ‘hangt’ als het ware boven de grondwaterspiegel. Beneden dit niveau zijn alle poriën en holten in de bodem met water gevuld. Tenslotte kan het water ook nog in grote hoeveelheden voorkomen in poreuze gesteentes, grindlagen of diep gelegen grondmassa’s. Dit zijn de zogenaamde watervoerende lagen.

Bronnen en kwel
In hellinggebieden kunnen ondoorlatende bodemlagen bij een bepaalde hellinghoek aan de oppervlakte komen. Het water stroomt over zo’n ondoorlatende laag zijdelings weg. Waar zo’n ondoorlatende laag aan de oppervlakte treedt, treedt ook het water naar buiten. Dit dagzomen van het grondwater kan zowel borrelend in geconcentreerde vorm of verspreid en stil sijpelend gebeuren. Als het grondwater in de vorm van een bronbeekje wordt afgevoerd, is er sprake van een bron. Wanneer het opkomend water niet afgevoerd wordt via een beekloopje, hebben we het over een kwelzone. Een kwelzone is dus een moerassig gebied waar geen geconcentreerde afvoer plaatsvindt.

Permanente afvoer

Bronnen kunnen op grond van diverse kenmerken worden ingedeeld. Zo kan men aan de hand van de hydrologische of waterloopkundige kenmerken en onderscheid maken tussen permanente bronnen, die het hele jaar door water voeren en periodieke bronnen. De bronnen in Zuid-Limburg zijn meestal permanent watervoerend. Bij periodieke bronnen schommelt de hoeveelheid water geregeld. Er zijn ook bronnen die slechts gedurende een deel van het jaar water geven. In de hydrologie spreekt men dan van een intermitterende bron.

Poel- en moerasbronnen
Een andere indeling van bronnen is gebaseerd op de wijze waarop het grondwater uittreedt. Dat kan in de vorm van een poel, een stort of borrelbron, een puntbron en een moeras- of sijpelbron.
Poelbronnen oftewel limnokrenen (limnos = meer) treffen we onder meer langs het Miljoenenlijntje in Eys-Wittem aan. Aan de kleine Gracht in Schin op Geul en langs de Gulp in Gulpen. Het grondwater borrelt op uit de bodem van een trechtervormige poel of vijver en daar waar de poel overloopt ontstaat een bronbeek. Er is sprake van moeras- of sijpelbronnen indien het water over een groot oppervlak in diffuse wijze boven het maaiveld uittreedt. Hierdoor ontstaat een moerassig of drassig gebied waarvan het water op het laagste punt een klein stroompje vormt. Voorbeelden hiervan vinden we onder meer in het Waalbroek in Bocholtz en de Sinzelbeek in Vaals.

Puntbronnen
Wanneer het grondwater op een punt boven de aarde komt en direct een stroompje vormt, spreken we van een puntbron of akrokreen (akros = begin). Dit soort bronnen treffen we het meeste aan in Zuid-Limburg. Bij stort- of borrelbronnen komt het water met grote snelheid uit een loodrechte wand of helling gestroomd. Dit type komt vrijwel uitsluitend op stenige bodems voor. Echte stortbronnen worden in Limburg niet aangetroffen.

Botanische rijkdom
De botanische rijkdom van bron- en kwelmilieus varieert van bron tot bron. Dit komt met name door de grote verscheidenheid van natte, drassige en droge milieus in combinatie met verschillende bodemsoorten als grind, zand, leem of veen. In plantenkundig opzicht zijn vooral moeras- of sijpelbronnen vrij rijk aan soorten. Enkele karakteristieke plantensoorten voor een kalkrijk bronmilieu zijn de bittere veldkers, paarbladig en verspreidbladig goudveil en hangende zegge. Van de sporendragers zijn met name de reuzenpaardenstaart en diknerfmos van belang. Doordat het bronmilieu in Nederland zeldzaam is geworden, zijn de genoemde soorten in ons land vrij tot zeer zeldzaam.
Van de soorten die iets minder specifiek zijn voor bron- en kwelmilieus kunnen dotterbloem, bosbies, echte waterkers, kleine watereppe en slanke sleutelbloem genoemd worden. Bronnen worden regelmatig omgeven met bomenpartijen. Indien dit het geval is dan groeien er meestal essen en zwarte elzen. Deze soorten komen van nature in bronbossen voor.

Ongewervelden
De belangrijkste diergroep van het bron- en kwelmilieu is de macrofauna. Dat zijn de met het blote oog zichtbare ongewervelde waterdieren. Een aantal macrofaunasoorten is specifiek aan het bron- of kwelmilieu gebonden. De meest karakteristieke soorten van Zuid-Limburg zijn (blinde) vlokreeft-, platwormen, diverse kevers, tweevleugeligen en steenvliegen. De macrofauna wordt vaak gebruikt voor de beoordeling van de biologische waterkwaliteit. Het meest gebruikte systeem hiervoor (systeem van Moller Pillot) onderscheidt een vijftal verzamelingen van macrofaunasoorten die kenmerkend zijn voor een bepaalde mate van verontreiniging. Elke verzameling heeft de wetenschappelijke naam gekregen van één van de meest opvallende soorten.

Bedreigingen
Bij een onderzoek in het Mergelland in 1989 werden ongeveer 750 plaatsen aangetroffen waar het grondwater geconcentreerd of diffuus uittreedt. Deze bronnen en kwelzones hebben echter vrijwel zonder uitzondering direct of indirect te lijden van menselijke invloeden. Het bronmilieu heeft in dit verband te maken met verrijking van mineralen (eutrofiëring), verdroging en verontreinigingen.

Voedingsgebied

Eutrofiëring gebeurt met name door het uitspoelen van mest van de landbouwgronden. Dit is vooral het geval bij bronnen die in landbouwgebieden voorkomen. Een andere vorm van verontreiniging kan voortkomen uit doorsijpelend, vervuild (percolaat) water uit vuilstorten, in groeven en door geconcentreerde afspoeling van bijvoorbeeld landbouwwater of riooloverstortwater via waterlopen of terreinlaagten. Verder kunnen bronnen droogvallen door grondwaterwinning. Tenslotte is ook de toename van het verharde oppervlakte door bijvoorbeeld asfaltering in het voedingsgebied van de bron funest voor de toevoer van water. Door de versnelde afvoer van regenwater komt er steeds minder grondwater beschikbaar, waardoor bronnen tenslotte droog kunnen vallen.

Afval
De bronnen en kwelzones worden bovendien direct bedreigd door het storten van afval, het met grond opvullen, het vergraven, het aanleggen van greppels, afvoerbuizen en drainpijpen. Zware bemesting bij bronnen is ook slecht voor het bronmilieu. Dat geldt ook voor vertrapping door het vee en het rijden van zware voertuigen door het brongebied.
Door eenvoudige maatregelen kan een aantal van de bovengenoemde, directe bedreigingen teniet worden gedaan. Zo kan men bronnen in weiland voorzien van een raster, waardoor vertrapping door het vee wordt voorkomen.
Verder kan vuilstort worden verwijderd en kunnen drainages, vergravingen en ophogingen opgeheven worden. Het maaien van de vegetatie kan het beste in het najaar gebeuren en door het maaisel af te voeren kan verruiging van de bron-/kwelvegetatie worden beperkt. 

Stringente maatregelen

Het recent uitgevoerde bronnenproject is een eerste aanzet tot het herstel en behoud van de bronnen. Om de waterkwaliteit van de bronnen te verbeteren zijn echter meer ingrijpende maatregelen noodzakelijk. Door stringente toepassing van de Wet Bodembescherming en de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren kan de bemesting in de infiltratiegebieden teruggebracht worden en ervoor gezorgd worden dat percolaatwater uit vuilstortwater de bron- en kwelgebieden niet kan bereiken. Een andere maatregel om bron- en kwelgebieden te behouden bestaat uit de aankoop door natuurbeschermingsorganisaties. Er dient vervolgens wel een goed beheer uitgevoerd te worden. Ook zouden brongebieden aangewezen kunnen worden als beheersgebied in het kader van de relatienota. Ook het Waterschap Roer en Overmaas streeft in haar beleid naar eigendom, beheer en onderhoud van ecologische en hydrologische bronnen.

Tenslotte is het van belang dat bij het opstellen van bestemmingsplannen deze brongebieden een planologische bescherming krijgen.
 

De heg: Barriere en natuurlijke weg

Agrarisch erfgoed met hoge natuurwaarde

Heggen of hagen. Vroeger dienden ze vooral voor de mens. Als perceelsscheiding, veeraster en leverancier van calorierijk brandhout. Helaas zijn veel heggen in de loop der tijd opgeruimd. Spijtig, omdat  hun natuurlijke rijkdom in een vaak eentonige omgeving bijzonder groot is. Heggen hebben daardoor wel degelijk bestaansrecht. Mits goed onderhouden, kunnen de belangen van de mens en de natuur goed samengaan.

heggen-1.jpgOf het nu in het uiterste noorden of zuiden van onze provincie is, overal kunnen we nog heggen tegenkomen. Maar hun dichtheid en aantal is niet meer wat het ooit geweest is. Van oudsher kwam de haag in Limburg massaal voor. Dat is nu nog zo in enkele delen van het Mergelland en het Maasheggengebied in Noord-Limburg. Maar ook in andere, nu niet meer zo voor de hand liggende regio’s kon men heggen aantreffen. Zo ziet men op topografische kaarten van circa 1840 dat rond Weert een fijnmazig hagenlandschap te vinden was. Nu treffen we daar nog hooguit enkele restanten aan.

Haag of Heg?

De begrippen haag of heg kunnen door elkaar gebruikt worden. Met beide worden éénrijige beplantingen van dicht bij elkaar staande struiken bedoeld. Heggen kunnen uit allerlei houtsoorten bestaan, als meidoorn, sleedoorn, hondsroos, haagbeuk, vlier, kornoelje, hazelaar en kardinaalsmuts.

Vaak bestaat een heg uit struiken van slechts één soort, maar combinaties komen ook voor.

Het voorkomen van meerdere soorten kan duiden op een hoge ouderdom. Hier en daar kunnen andere boomvormende houtsoorten worden aangetroffen, zoals es en eik, die al of niet geknot zijn.
Kenmerkend aan de heg of haag is het regelmatige onderhoud. Dit snoeien of afzetten kan variëren van meerdere keren per jaar tot éénmaal in de vijftien jaar.

De wijze van onderhoud en soortenvariatie kan van streek tot streek verschillen. Zo worden de Maasheggen in Noord-Limburg éénmaal in de zes jaar afgezet. Terwijl in Zuid-Limburg de meeste heggen elk jaar gesnoeid worden. De vorm van de heg kwam al ver voor onze jaartelling in ons landschap voor. Uit stuifmeel onderzoek is gebleken dat lijnvormige begroeiingen van doornige gewassen al omstreeks 4400 voor Chr. In ons land aanwezig waren. Waarschijnlijk zijn dit de restanten van bosontginningen geweest. Bij het omzetten van bos in bouwland bleven de doornige houtsoorten als meidoorn en sleedoorn bij deze cultuuringrepen gespaard.

De eerste hagen waren bedoeld om de akkers en het vee te beschermen tegen het wild, maar ook de nederzetting zelf kon op deze wijze afgeschermd worden tegen opdringerige buren. Dat merkte Julius Cesar ook op in zijn veldslagenlogboek de “Bello Gallico”, toen hij de Nerviërs ontmoette. Een volk dat leefde in het gebied dat nu een deel van het huidige Limburg en Noord-Brabant omvat. Hij schrijft: “Deze mensen hakken dus jonge boompjes om en vervlechten ze. Zo ontstaat een verschansing als een ondoordringbare muur, waar men zelfs niet meer doorheen kan kijken”.

Geen kadaster

Naast hun functie in tijden van oorlog en rampspoed, hadden de hagen ook een beschuttende werking tegen de vaak gure weersomstandigheden die erosie van de grond tot gevolg hadden.

Tijdens de Middeleeuwen werden de hagen gemeengoed. Zo beschermden gevlochten omheiningen de bouw- en hooilanden. Wegen die door deze waardevolle stukken liepen, werden voorzien van een haag, opdat vee niet kon afdwalen. Daarnaast werden sloten, beekjes, tuinen en erven gemarkeerd met heggen. In die tijd was er namelijk geen kadaster…..

tuunen-bemelerberg.jpg"Tuunen"
In de feodale middeleeuwen mocht niet iedereen levende heggen aanplanten. Om die reden maakten de toenmalige kleine boeren hagen, die bestonden uit een constructie van paaltjes, staken, planken en  vlechtwerk van twijgen en rijshout.

Zoiets werd “tuyn, tuen of tuun “genoemd. Het voordeel van een dode haag was dat het maar beperkt plaats in beslag nam en bovendien gemakkelijk verplaatst kon worden. Het houtverslindende van de tuun werd als een zeer groot nadeel ervaren. Tegenwoordig komen deze gevlochten hagen niet of nauwelijks meer voor in Limburg.

Hoge vlucht

Na de landbouwcrisis van de 19e eeuw nam de aanleg van hagen een hoge vlucht. Door de invoer van goedkoop graan uit Amerika, schakelden destijds veel akkerbouwers over op de vee- en fruitteelt.

De hoogstamboomgaarden die in een veeweiland werden aangelegd werden veelal omheind met heggen. Het aantal heggen steeg voor de laatste maal explosief. De introductie van prikkeldraad in 1873 luidde het keerpunt in van de heg als perceelsscheiding. Deze rasters namen minder grond in beslag en vergden bovendien minder onderhoud. Verder moesten veel heggen het veld ruimen bij perceelsvergrotingen, aanleg van woonwijken en wegen. In de moderne grootschalige landbouwgebieden werd niet of nauwelijks meer overgegaan tot nieuwe aanplant. Geschat wordt dat ongeveer 75 procent van het oorspronkelijke hagenbestand in Nederland door een combinatie van deze factoren verdwenen is. Dat is bijzonder jammer, omdat heggen meestal een aanwijzing waren van het grondgebruik van onze voorouders. Maar naast de cultuurhistorische betekenis hebben heggen ook een belangrijke natuurwaarde.

Onvervangbaar
Omdat heggen vaak al honderden jaren oud zijn, kunnen ze van onvervangbare waarde voor planten en dieren zijn. Hoe ouder de heg, hoe gevarieerder de plantensamenstelling. Aronskelk, hazelaar, sleutelbloem, grootbloemige muur, helmkruid, duivekervel, dagkoekoeksbloem, koninginnekruid en diverse varens. Allemaal vinden ze een plekje in de heg.

Die zodoende ook erg rijk is aan zaden en vruchten. Het ligt voor de hand dat er ook een rijk insectenleven in heggen te vinden is. De aanwezigheid van vlinders is echter ook afhankelijk van de aanwezige waardplanten. Zo vliegt de zeldzame sleedoornpage bijna uitsluitend op een sleedoorn. De gehakkelde aurelia verkiest hop. Andere vlinders, zoals het bonte zandoogje leeft als rups op grassoorten, maar wordt vaak als volwassen vlinder in de luwte van houtwallen en heggen aangetroffen.

Vogelrijkdom
Door die grote rijkdom aan insecten, zaadjes en bessen is het niet zo verwonderlijk dat de merel, heggenmus, geelgors, kneu, putter en groenling zich hier thuis voelen. Daar, waar de heggen een aaneengesloten netwerk vormen, zijn ze voor de egel (in het Engels: hedgehog), muizen en marterachtigen als wezel, das en hermelijn van belang als natuurlijke verbindingsweg van het ene leefgebied naar het andere. Tenslotte wil het oog van de mens ook wat. De feestelijke slingers in het landschap bepalen in belangrijke mate de schoonheid van een gebied.

Bacterievuur
Zo wordt regelmatig opgemerkt dat vanuit hagen diverse ziekten en plagen kunnen waaien naar het vee en het gewas. Een veelgenoemd voorbeeld is bacterievuur (perenvuur). Dit is een plantenziekte die bij een aantal geslachten van de rozenfamilie als de meidoorn, peer, appel en lijsterbes voorkomt. De ziekte verspreidt zich razendsnel door de plant, waarna die kan afsterven. De ziekte is vooral gevreesd bij telers van laagstamfruit. De bloeiende meidoorn werd tot voor enkele jaren een belangrijke rol toegeschreven als hoofdverspreider van de ziekte. In de strijd tegen de verspreiding van het bacterievuur werden massaal meidoornheggen afgezet of zelfs gerooid. Door veranderde inzichten is dit beleid inmiddels gewijzigd. De meidoorn wordt niet meer gezien als de gevaarlijke hoofdverspreider van deze ziekte. Binnen een zone van vijfhonderd meter van kwekerijen wordt de meidoorn nog kort gehouden. Daarbuiten mag hij weer volop groeien en bloeien.

Insectenplagen
Daarnaast wordt nog wel eens gesteld dat (on)kruiden kunnen overleven in hagen en dat ze insectenplagen kunnen veroorzaken. Gebleken is dat de meeste soorten insecten en kruiden die in een goed ontwikkelde haag voorkomen, geen of weinig overlevingskans hebben in de intensief bewerkte akkers en weilanden. De soorten insecten en kruiden die echter in heggen voorkomen, zijn andere soorten dan die schade veroorzaken op de akkers. Met andere woorden, ze zijn gebonden aan het haagmilieu. Bovendien komen in een gezond haagmilieu ook zangvogels voor, die ook weer nuttig kunnen zijn door het opeten van insecten die schade kunnen toebrengen aan de gewassen.

Lagere opbrengst
Tenslotte zijn de meningen ook verdeeld over de verminderde oogstopbrengst in de buurt van heggen. Er is inderdaad duidelijk waar te nemen dat er langs een haag een groeiachterstand van het gewas is. Op enige afstand van een opgaande begroeiing, daarentegen is duidelijk een gunstiger microklimaat aanwezig. Hierdoor heeft het gewas dat verder van die heg afstaat een hogere opbrengst. Deze meeropbrengst kan het verlies vaak ruimschoots compenseren.

Ook het belang van schuilgelegenheid voor het vee mag niet vergeten worden. Bij guur of warm weer zoeken de koeien de beschutting op. Die bescherming die de heg biedt, komt ook het welzijn en de gezondheid van de beesten waarschijnlijk ten goede, waardoor ze ook meer kunnen produceren.

Regelmatig onderhoud
Heggen kunnen alleen blijven voortbestaan als ze regelmatig onderhouden worden. Als aan de haag totaal geen onderhoud meer plaatsvindt, zal deze na tien tot vijftien jaar aftakelen. De haag wordt vanonder hol en er ontstaan open plekken. In heggen die een aantal jaren niet onderhouden worden, gaan brandnetel en vogelmuur de ondergroei overheersen. Juist die onderhoudsachterstand en de daaruit voortvloeiende overlast zal voor boeren een motief zijn om de heggen op te ruimen. Onderhoud blijft dus nodig. De wijze van onderhoud hangt sterk af van het doel dat men nastreeft. De twee uitersten zijn, een strakke scheerhaag van ca. 0,50 m. breed en 1,20 m. hoog en een ‘wilde haag die vijf meter breed en tien meter hoog kan worden. Door jaarlijks onderhoud verkrijgt men een strakke haag. Als de snoei vaker in het jaar wordt toegepast, ontstaat een dichte heg. Wanneer men daar voor kiest, zal men dit om het jaar of enkele seizoenen moeten herhalen, anders groeit de heg breed. Wanneer de heg overlast voor de landbouw gaat veroorzaken, wordt het tijd om deze weer op een makkelijke snoeihoogte af te zetten. De hoogte van afzetten ia afhankelijk van het formaat van de snoeier. Ongeveer 1 meter 20 (heuphoogte) komt het meest voor.

De hoge wilde haag ontstaat als de onderhoudscyclus meerdere jaren omvat. Om zo’n haag te krijgen, beperkt men de snoei tot éénmaal in de vijf tot vijftien jaar. Dit snoeiwerk (afzetten) moet echt om de 15-18 jaar gebeuren. Daarbij kan men er voor kiezen om enkele struiken te laten staan. Zo ontstaan vaak grilliger structuren, waarvan diverse dieren dankbaar gebruik zullen maken. De hoogte van afzetten of afzagen verschilt van streek tot streek. Men kan dat op heup-, knie- of enkelhoogte doen. Hoe lager de haag wordt afgezet, hoe dichter de structuur wordt. Een oude, bijna vergeten, Limburgse manier van afzetten is de volgende. De stammen worden elke vijf á zes jaar op heuphoogte half doorgekapt. Daarna worden de stammen naar onder omgebogen en in de andere struiken gevlochten.

Aanplanten
Bij beide haagtypen is het van groot belang dat ontstane gaten weer aangeplant worden. Hierbij kan gekozen worden voor een gemengde heg. Deze kan dan bijvoorbeeld bestaan uit 50 procent meidoorn, en voor de rest uit 10 procent sleedoorn, veldesdoorn, haagbeuk, hondsroos en hulst. De soortkeuze is natuurlijk afhankelijk van de streek. Het is tevens van belang dat het plantmateriaal afkomstig is van Limburgse of Nederlandse herkomst.

Goed gereedschap

Voor regelmatig scheerwerk is de heggenschaar het meest geschikt. Deze kan takken tot vingerdikte aan. Voor dikke, tot vijf centimeter dikke takken is de takkenschaar het meest geschikt. Verder kan gebruik worden gemaakt van een bijl of hiep. De snoei kan het beste plaatsvinden in de herfst en de wintermaanden. Broedende vogels worden dan niet verstoord. Bovendien is het risico van infecties van plantenziekten veel kleiner. Ziekten kunnen via de zaag overgebracht worden op de snoeiwonden en zo in de haag binnendringen. Het snoeitijdstip is natuurlijk ook afhankelijk van plaatselijke omstandigheden. Zo kan uit verkeersoverwegingen besloten worden tot snoei in de zomermaanden. Voetpaden moeten begaanbaar blijven. In Zuid-Limburg was het gebruikelijk om heggen kort voor de jaarlijkse processie nog eens te knippen.

Nog toekomst

De haag heeft nog zeker toekomst. Weliswaar niet meer als beschermer van have en goed. Maar meer als element waar de flora en fauna nog een groei-, schuil-, rust- en voedselplaats vindt. Mits goed onderhouden, veroorzaakt de heg geen overlast en levert de heg als groen lint een belangrijke bijdrage aan het netwerk van wegen voor de natuur.

De overheid heeft ook ingezien dat heggen belangrijke waarden vertegenwoordigen. Zo is er vanaf 1981 voor het Maasheggengebied in Noord-Limburg en het Mergelland in Zuid-Limburg een regeling die de hagen in deze gebieden moet behouden. Via de zogenaamde Regeling Onderhoud Landschapselementen (ROL) kan de eigenaar onder bepaalde voorwaarden voor de instandhouding en het onderhoud een vergoeding krijgen. De ROL wordt momenteel door de stichting IKL uitgevoerd.

Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is echter net zo belangrijk. Via bestemmingsplannen of gemeentelijke verordeningen kunnen hagen beschermd worden. Zo kan een belangrijk heggengebied bestemd worden als agrarisch gebied met een hoge landschappelijke waarde. In gemeentelijke verordeningen kan vastgelegd worden dat heggen alleen gerooid mogen worden met een vergunning. Maar plaatselijke natuurverenigingen kunnen zelf ook iets ondernemen. Zeker als de grondeigenaar overweegt om een heg te rooien, aangezien hij geen tijd heeft voor onderhoud, te oud is of het niet meer vindt passen in deze moderne tijd. In zulke gevallen kan men in overleg met de grondgebruiker afspreken om half  verwaarloosde hagen weer op de knappen. Gaten kunnen worden dicht geplant en te ver doorgegroeide struiken of bomen afgezet of geknot. Wellicht zijn diverse grondgebruikers ook bereidt hun haag een meer natuurlijke functie te geven en staan zij een onderhoudscyclus van drie of vijf jaar toe, waardoor de heg wat breder kan uitgroeien. De vogels, vlinders en insecten zullen volop profiteren van zo’n wat bredere heg. Voor de grondgebruiker zal dit echter een belangrijke trendbreuk zijn. Het overleg met zo’n grondeigenaar vereist dan ook tactvol optreden en een grote portie overtuigingskracht. 
 

Ecologische betekenis van lijnvormige beplantingen


Lijnvormige beplantingen als houtwallen, heggen, graften, holle wegen, bomenrijen en lanen zijn onmisbaar voor veel planten en dieren in het Limburgse cultuurlandschap. Het zijn schakels in de zogenaamde ecologische infrastructuur.  Maar wat betekent dat nu precies? Welke soorten maken eigenlijk gebruik van deze landschapselementen en hoe doen ze dat? Daarover is inmiddels veel, maar nog lang niet alles bekend.

Lijnvormige beplantingen vormen voor veel planten en dieren een belangrijk leefgebied. Heggen, houtwallen en houtsingels lijken veel op bosranden. In natuurlijke bosranden is sprake van een geleidelijke overgang van echt bos naar grasland. Dat gebeurt via een zogenaamde mantel-zoomvegetatie van struiken en klimplanten en een ruige zoom van hoog opgroeiende kruiden. Vooral in de door de zon beschenen randen komen veel rijk bloeiende en vruchtdragende planten voor. Ze bieden beschutting, warmte en voedsel aan insecten en andere dieren. Lijnvormige begroeiingen bestaan, mits op de juiste manier beheerd, als het ware uit samengevoegde bosranden.

Verplaatsingen

Behalve als leefgebied voor planten en dieren kunnen lijnvormige beplantingen ook dienst doen als verbindingsweg. Deze kunnen noodzakelijk zijn om een soort in een landschap te laten overleven. Bij de meeste dieren zijn twee soorten verplaatsingen te onderscheiden. Het meest voorkomend is de fourageertrek: de regelmatige, vaak wekelijkse zoektochten naar voedsel. Als de bestaande leefgebieden vol raken, trekken jonge dieren vaak weg op zoek naar een nieuwe vestigingsplaats. Dit wordt ook wel als verbreiding aangeduid. Planten verbreiden zich meestal via zaak of worteluitlopers. Een derde vorm van verplaatsing is de jaarlijkse trek van vogels van de broed- naar de overwinteringgebieden.

Voor de meeste planten en dieren zijn de intensief gebruikte landbouwgronden ongeschikt voor een langdurig  verblijf. Sommige soorten kunnen er tijdelijk verblijven, bijvoorbeeld om er voedsel te halen of om zich van het ene voedselgebied naar het andere te verplaatsen. Maar meestal is de afstand die vanuit de uitvalsbasis afgelegd wordt beperkt. Dat verschilt per soort. Voor sommige dieren is een akker of weiland een volstrekt vijandige omgeving die op geen enkele manier te overbruggen is. Lijnvormige houtopstanden kunnen in dat geval noodzakelijk zijn om nieuwe leef- of voedselgebieden te bereiken.

Verbinding van leefgebieden

Door intensivering en schaalvergroting in de landbouw raken bestaande leefgebieden van planten en dieren in het cultuurlandschap steeds meer van elkaar geïsoleerd. De kans dat bepaalde planten en dieren uiteindelijk uit het landschap verdwijnen neemt daardoor toe. Het komt immers regelmatig voor dat een soort tijdelijk uit één van leefgebieden verdwijnt door al dan niet natuurlijke oorzaken. Voor het voortbestaan van de soort in het totale landschap hoeft dat niet rampzalig te zijn, zolang er hervestiging vanuit andere leefgebieden in de omgeving kan plaatsvinden. In dat geval zal een evenwicht ontstaan tussen plaatselijk uitsterven en nieuwe vestiging. Voor het landschap als geheel blijft de soort dan behouden. Maar een voorwaarde voor een nieuwe kolonisatie is wel dat het bereikbaar moet zijn.
Naarmate meer leefgebieden geïsoleerd raken neemt de kans op volledig uitsterven toe.
Lijnvormige houtopstanden kunnen voor veel soorten de sleutel tot overleven zijn in de woestijn van het cultuurlandschap. Het zijn verbindende schakels tussen afzonderlijke leefgebieden die daardoor steeds opnieuw bevolkt kunnen worden.

Planten

Lijnvormige beplantingen kunnen een rijke flora herbergen. Bij een onderzoek in beplantingsstroken werden niet minder dan 450 soorten planten gevonden. Dat is een derde deel van alle soorten wilde planten die momenteel in Nederland voorkomen. In meer dan 60 procent van alle lijnvormige beplantingen bestaat de plantengroei vooral uit gewone graslandsoorten als kweekgras, kropaar en gewone glanshaver. Vaak worden ook vegetaties aangetroffen die duiden op een zekere verstoring en verrijking met meststoffen. Planten als braam, brandnetel en kleefkruid voeren daarin de boventoon. Maar in gunstige omstandigheden kunnen oude, goed onderhouden en weinig beïnvloede houtwallen en –singels nog een groeiplaats zijn voor relatief zeldzame planten. Het gaat dan bijvoorbeeld om soorten van bossen: bosanemoon, dalkruid en gewone salomonszegel. Op lössbodems in Zuid-Limburg kunnen daarbij komen gevlekte aronskelk, geel nagelkruid en maarts viooltje.

Gave en oude houtwallen die ongeveer evenwijdig aan de oost-westlijn liggen kunnen het leefgebied zijn voor uiteenlopende plantengemeenschappen. De zuidkant is droog, de temperatuur is gemiddeld hoog. De noordkant is meestal beschaduwd en daarom natter en koeler. Aan weerszijden is sprake van extreme milieu-omstandigheden met geleidelijke overgangen. Hier kunnen zich, vooral op voedselarme bodems, gespecialiseerde plantensoorten vestigen. Aan de noordkant kunnen dat varens zijn: gewone eikvaren, dubbelloof, mannetjes- en wijfjesvaren. Aan de zuidkant komen naast onbegroeide plekken grasachtige vegetaties voor met soorten van schrale bodems: struikheide, pilzegge en muizenoor.

Paddestoelen
Onder lanen en bomenrijen in wegbermen kunnen opvallend veel, en bovendien vaak zeldzame soorten paddestoelen groeien. Op proefvlakken op bermen met beukenbomen in Drenthe werden in totaal 258 soorten paddestoelen aangetroffen en onder eikenbomen zelfs 358 soorten. In Utrecht zijn vindplaatsen onder lanen op kleigrond bekend met meer dan 200 soorten. Onder lanen en bomenrijen kunnen meer paddestoelen groeien dan in bossen met dezelfde boomsoorten. Dit is waarschijnlijk het gevolg van het open en schrale karakter van de vegetatie in bermen.

Zoogdieren

Veel Nederlandse zoogdieren maken gebruik van lijnvormige landschapselementen. Van de 15 soorten muizen en spitsmuizen bijvoorbeeld kunnen een flink aantal hun hele leven in een houtwal doorbrengen. Zeker als een ondergroei van struiken aanwezig is. Op hun beurt dienen ze weer als voedsel voor de wezel en de hermelijn, die dan ook veelvuldig in houtwallen te vinden zijn. Grotere marterachtigen als de bunzing en de steenmarter brengen ook veel tijd door in lijnvormige beplantingen in hun leefgebied. In Zuid-Limburg zijn holle wegen en graften favoriete burchtlocaties voor de das. Bij verplaatsingen over grotere afstanden volgt dit dier bij voorkeur beplantingsstroken die de nodige dekking bieden.

Eekhoorns en vleermuizen
Eekhoorns zijn bosdieren die tegenwoordig ook in plantsoenen en parken voorkomen. Ze verplaatsen zich bij voorkeur via bomen. Lanen, singels, houtwallen en bosstroken bieden daarvoor goede gelegenheid. In Herkenbosch werd een eekhoorn waargenomen die zich binnen enkele uren over een afstand van meer dan twee kilometer verplaatste. Daarbij maakte het dier gebruik van beplantingsstroken en een laan.

Ook de meeste vleermuizen verplaatsen zich bij voorkeur langs beplantingsstroken. Dat blijkt als met behulp van nachtelijke geluidswaarnemingen vliegroutes in beeld gebracht worden. Sommige vleermuizen hebben oude  bomen met holtes nodig als verblijfplaats voor de dag, om te paren of als kraamkamer. In oude beplantingsstroken als lanen kunnen bomen groeien die hiervoor geschikt zijn.

Vogels

In het cultuurlandschap blijken houtwallen en bosranden de soortenrijkste vogelbiotopen te zijn. Bijna 60 soorten  kunnen broedend in houtwallen aangetroffen worden. De oorzaken daarvan liggen voor de hand: houtsingels bieden veel voedsel, beschutting en nestgelegenheid. Naarstige onderzoekers hebben bessen in houtwallen geteld en kwamen in één geval tot de conclusie dat er in 100 meter houtwal wel een paar honderdduizend bessen hingen. Voedsel in overvloed dus voor vogels die daarvan houden.

Nesten

Elke vogel heeft zijn eigen manier om nesten te bouwen. In lijnvormige beplantingen zijn er wat dat betreft legio mogelijkheden. Opgaande bomen voor soorten die graag hoog wonen, zoals kraaien, eksters en houtduiven. Holtes in oude bomen en stronken voor de holenbroeders: koolmees, pimpelmees, spreeuw, ringmus en steenuil. Struiken en dichte begroeiing voor soorten als merel, heggenmus en zwartkop. En tenslotte een begroeide bodem die geschikt is voor bijvoorbeeld winterkoning. De patrijs houdt zich graag op in de randbegroeiing. Sommige roofvogels zijn snelle en behendige vliegers en moeten het hebben van verrassingsaanvallen. Haviken en sperwers gebruiken beplantingsstroken om onopgemerkt hun prooi te benaderen en onverhoeds tot de aanval over te gaan.

Kortom: ook voor vogels is een landschap met lijnvormige beplantingen een aantrekkelijk leefgebied. Landschappen met veel houtsingels, houtwallen en verspreide bosjes zijn daarom opmerkelijk vogelrijker dan meer open landschappen.

Het volgende voorbeeld kan dit illustreren. Tellingen van het aantal broedende vogels in verschillende houtsingelpatronen met een lengte van telkens 200 meter leverde verrassende resultaten op. In een enkele singel van 200 meter broedden de minste vogels. In twee op korte afstand evenwijdig lopende singels van elk 100 meter lang broedden drie keer zo veel vogels. En in  twee singels die samen een T-splitsing vormden, werden maar liefst zes keer zoveel broedende vogels gevonden.

Padden en salamanders

De meeste amfibieën in Nederland leven voornamelijk op het land. In het voortplantingsseizoen hebben ze open water nodig voor de paring en het afzetten van de eieren. De bruine kikker, de gewone pad en de verschillende soorten watersalamanders leven vooral in het cultuurlandschap en maken veelvuldig gebruik van opgaande begroeiingen en ruigten. Bij een onderzoek naar verplaatsing van salamanders in de omgeving van Voerendaal werd vastgesteld hoe alpenwatersalamanders en kleine watersalamanders gebruik maakten van landschapselementen in de buurt van hun voortplantingswater. Ze brachten de winter door in een holle knotboom en in een honderd meter verderop gelegen braamstruweel. De dieren verplaatsten zich onder meer via de meidoornheggen.

Salamanders worden nooit in poelen aangetroffen als er geen bos of andere houtachtige begroeiingen in de omgeving liggen. Vooral in  landschappen met weinig bos zijn daarom heel vaak de beplantingsstroken een belangrijk element in het landbiotoop van de salamanders. Onderzoekers konden ook vaststellen dat padden gebruik maken van beplantingsstroken. Dit dier kan afstanden van twee tot drie kilometer afleggen tussen landbiotoop en voortplantingswater. De met behulp van zenders geschaduwde padden bleken bij de jaarlijkse trekbeweging bij voorkeur gebruik te maken van heggen, houtwallen en andere lijnen in het landschap zoals slootbeddingen en randstroken.

Ongewervelden

Beplantingsstroken herbergen opvallend veel ongewervelden. Dat zijn alle dieren zonder inwendig skelet, zoals spinnen, insecten en wormen. Er bestaat een directe relatie tussen de rijkdom van de vegetatie en het aantal soorten ongewervelden. Dat heeft te maken met de veel voorkomende specifieke relaties tussen insecten en planten. Bepaalde  insecten kunnen zich uitsluitend voeden met planten van één soort of geslacht.

Andersom kunnen sommige planten alleen bevrucht worden door een bepaalde insectensoort. Naarmate er zich op kleine schaal meer verschillende leefomstandigheden voordoen, zal het aantal toenemen. Kleine variaties kunnen al de doorslag geven. Zo kan een stapel oude rasterpalen bepalend zijn voor de aanwezigheid van metselbijen in een houtsingel. Deze dieren gebruiken kleine holtes in dood hout als broedplaats.

Voedselplanten

Ook de soortensamenstelling van de begroeiing bepaalt hoeveel insecten in een houtwal voorkomen. Struiken als wilde rozen, meidoorn en sleedoorn zijn voedselplanten voor de rupsen van veel motten en dagvlinders.. De meidoorn biedt voedsel aan bijna150 insectensoorten. De zomereik spant  in dit opzicht de kroon en is voedselbron voor 280 verschillende insecten! In beplantingsstroken komen al deze houtsoorten veel voor. Insecten profiteren daar van.

Het netwerk van relaties tussen alle ongewervelden in een houtwal onderling en met hun omgeving is nauwelijks te ontwarren. Er zijn bodemdieren die het dode plantenmateriaal afbreken. Andere insecten eten bladeren, bloemen, plantensappen of worteldelen. En dan zijn er nog de spinnen, roofkevers, graafwespen enzovoorts die andere insecten eten. Uiteindelijk zijn bijna alle insecten weer voedsel voor vogels en kleine zoogdieren.

Noodzakelijk netwerk
Concluderend kunnen we stellen dat de ecologische betekenis van de lijnvormige beplantingen niet gering is. De meeste wilde planten en dieren in Limburg en Nederland leven niet in natuurgebieden, maar in het cultuurlandschap. Een verdergaande versnippering van de toch al kleine stukjes natuur zal onvermijdelijk leiden tot verstoring van evenwicht en het lokaal uitsterven van soorten. Het is daarom van groot belang dat natuurbeschermers zich niet uitsluitend richten op het beheer van reservaten en  grootschalige natuurontwikkelingsprojecten. Maar net zo goed op het  noodzakelijk netwerk van lijnvormige landschapselementen in het Limburgse cultuurlandschap. Voor de enorme variatie en de veelkleurigheid in ons landschap blijft dat van levensbelang.
 
Pagina 1 van 2