Sprinkhanen en krekels in Limburg


De levenskansen voor de tien meest bedreigde soorten sprinkhanen en krekels in Limburg kunnen met relatief eenvoudige ingrepen enorm toenemen. Hiervoor is het wel van belang dat de eigenaren en de beheerders van de leefgebieden iets meer rekening gaan houden met deze dieren.

 Dat blijkt uit het 'Beschermingsplan sprinkhanen en krekels in Limburg' dat in opdracht van de provincie Limburg en de stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen in Limburg, IKL is opgesteld voor de 50 meest bedreigde populaties sprinkhanen en krekels. Voor 30 populaties stelt het rapport concrete maatregelen voor. Het is voor de eerste maal dat in Nederland een dergelijke omvangrijke inventarisatie mét hele concrete, direct uit te voeren onderhoudsadviezen opgesteld is. Door de betrekkelijk eenvoudige maatregelen uit te voeren, kunnen de beheerders van de terreinen met een geringe inspanning de achteruitgang kunnen stoppen.

De provincie Limburg kent vanwege de grote variatie aan landschapstypes  nogal wat soorten sprinkhanen en krekels. In Limburg komen nog 40 van de 45 Nederlandse soorten sprinkhanen en krekels voor. Van deze 40 gaan vijf soorten als het zoemertje, schavertje, zadelsprinkhaan, veldkrekel en blauwvleugelsprinkhaan er op achteruit. Het meest slecht is het gesteld met de zadelsprinkhaan, die zelfs op het punt staat om te verdwijnen. In opdracht van de stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen in Limburg, die zich inzet voor het behoud van bedreigde planten en dieren en de provincie Limburg heeft EIS Nederland en het adviesbureau Natuurbalans op basis van een veld en literatuurveldonderzoek een beschermingsplan opgesteld.   Uit de aanbevolen maatregelen blijkt dat met relatief kleine aanpassingen in het beheer terreinbeheerders al heel veel betekenen voor de 30 populaties meest bedreigde sprinkhanen en krekels, zo blijkt uit het rapport. Het gaat dan om het opheffen van bedreigingen als het dichtgroeien van dit soort terreinen met struiken en bomen en het verdwijnen van onbegroeide terreindelen als zandige plekken. Hierdoor kunnen de dieren niet meer genoeg opwarmen en verdwijnen de plaatsen waar ze hun eieren afzetten. Verder is een gevarieerde begroeiing van belang met open terreindelen waar de koudbloedige dieren zich snel kunnen opwarmen, en ruigere plekken waar ze zich kunnen verschuilen en overwinteren. Een ander probleem is dat het beheer soms te intensief en grootschalig is, waarmee de variatie in de begroeiing verdwijnt. Door terreindelen gefaseerd te maaien of uit de begrazing met vee te houden kan dit ondervangen worden.

 

Uit het rapport blijkt dat de aanwezigheid van sprinkhanen en krekels een belangrijke aanwijzing is voor de natuurwaarde van een gebied. Deze waarden kunnen toenemen door een aanpassing in het beheer. Het gaat dan om relatief eenvoudige maatregelen in een aantal karakteristieke leefgebieden als stuifzanden, droge heideterreinen en vochtige graslanden en moerasstroken. Door terreinen en zandige plekken die dreigen dicht te groeien open te houden, kunnen beheerders de belangrijkste bedreigingen voor deze insectengroep wegnemen. Indien dit echter achterwege blijft dan zullen diverse populaties, zo schrijven de opstellers van het rapport ongemerkt verdwijnen.

Sprinkhanen en krekels behoren met de vlinders en libellen tot de meest aansprekende insecten in het landschap. Voor wie oog én oor heeft voor deze relatief grote warmteminnende dieren en de muzikale zang van de mannetjes kan hele aparte belevenissen opdoen in zandverstuivingen, droge heideterreinen, moeraszones, natte weilanden en bermen van spoorwegemplacementen. Het zijn hele specifiek leefgebieden die vanwege de specifieke kenmerken ook van belang zijn voor andere, vaak zeldzame dieren. Vanwege de grote aantallen zijn ze als bulkvoedsel ook van belang voor andere dieren, hagedissen, ooievaar en grauwe klauwier.