Met zijn ontwapenend grote ronde ogen en zijn oranjegele tot oranjebruine vacht ziet de hazelmuis er vertederend uit. De hazelmuis komt nog maar op enkele plaatsen in Zuid-Limburg voor en staat op de Rode lijst van Bedreigde Zoogdieren in Nederland.
Onlangs is door de stichting IKL het 'actieplan hazelmuis' opgesteld, waarin maatregelen staan om de hazelmuis voor ons land te behouden. Een reden te meer om eens extra aandacht te besteden aan deze 'aaibare' muis.
De hazelmuis Muscardinus avellanarius is een klein knaagdier en behoort tot de familie van de slaapmuizen. In Zuid-Limburg, de enige plaats in Nederland, komen twee soorten slaapmuizen voor, de hazelmuis en de eikelmuis Eliomys quercinus.
De hazelmuis is een leuk dier om te zien. Hij heeft grote ronde ogen, is oranjegeel/oranjebruin op de rug, geelachtig op zijn buik en heeft een witte keel. Opvallend is zijn lange, dichtbehaarde staart. Van zijn neus tot aan het puntje van zijn staart is hij 12 tot 16 cm lang en weegt niet veel, 15 tot 35 gram.
De hazelmuis is een leuk dier om te zien. Hij heeft grote ronde ogen, is oranjegeel/oranjebruin op de rug, geelachtig op zijn buik en heeft een witte keel. Opvallend is zijn lange, dichtbehaarde staart. Van zijn neus tot aan het puntje van zijn staart is hij 12 tot 16 cm lang en weegt niet veel, 15 tot 35 gram.
De hazelmuis is een echt nachtdier. Het is een uitstekende klimmer die zelden of nooit op de grond komt. Hij wordt daarom ook wel het aapje onder de zoogdieren genoemd. In de winter houdt de hazelmuis een winterslaap van ongeveer zes maanden. Om deze periode goed door te komen verdubbelt hij in de herfst zijn gewicht.
Hazelmuizen zijn geen echte gezelschapsdieren, ze leven min of meer alleen. Vrouwtjes kunnen dicht bij elkaar leven, maar het leefgebied van mannetjes overlapt elkaar zelden. In de voortplantingstijd ligt dit anders. Dan zoeken hazelmuizen elkaar wel op.
Het vrouwtje heeft één tot twee worpen per jaar, in de periode van augustus tot oktober. Eén worp bestaat uit drie tot zeven jongen. Na ongeveer 42 dagen zijn de jongen zelfstandig waarna ze hun eigen weg gaan. Hazelmuizen kunnen drie tot vier jaar oud worden.
Hazelmuizen zijn geen echte gezelschapsdieren, ze leven min of meer alleen. Vrouwtjes kunnen dicht bij elkaar leven, maar het leefgebied van mannetjes overlapt elkaar zelden. In de voortplantingstijd ligt dit anders. Dan zoeken hazelmuizen elkaar wel op.
Het vrouwtje heeft één tot twee worpen per jaar, in de periode van augustus tot oktober. Eén worp bestaat uit drie tot zeven jongen. Na ongeveer 42 dagen zijn de jongen zelfstandig waarna ze hun eigen weg gaan. Hazelmuizen kunnen drie tot vier jaar oud worden.
Actie
Helaas wordt ook dit aardige dier in zijn bestaan bedreigd. Niet voor niks staat hij op de Rode lijst van Bedreigde Zoogdieren in Neder-land. Sinds kort is er een actieplan voor hem opgesteld.
In het actieplan hazelmuis staan inrichtings- en beheersmaat-regelen die gericht zijn op de instandhouding van het leefgebied van de hazelmuis. Het gaat hier om maatregelen voor bosranden, wegbermen en kleine landschapselementen als graften, singels en holle wegen. De maatregelen bestaan uit het instellen van kleinscha-lig bosbeheer, ontwikkeling van een kruid- en struiklaag (mantel-zoomvegetatie) aan bosranden, extensief wegbermbeheer en een gefaseerd en kleinschalig onderhoud van kleine landschaps-elementen. Deze maatregelen worden in het actieplan zeer gedetailleerd uitgewerkt.
Bedreigingen
Maatregelen zijn dringend nodig omdat het ideale leefgebied van de hazelmuis wordt bedreigd. De hazelmuis geeft namelijk de voorkeur aan goed ontwikkelde bosranden met een structuurrijke en gevarieerd opgebouwde kruid- en struiklaag waar struiken te vinden zijn als meidoorn, sleedoorn, kardinaalsmuts, kornoelje, Gelderse roos en bramen (het Sleedoorn-Bramenverbond). Als tweede keus komen jonge aanplant, kaalslaggebieden en hakhoutbossen in aanmerking.
Vroeger werd zijn leefomgeving in stand gehouden door extensieve begrazing van boslandschappen door natuurlijke grazers. Door de strikte scheiding van het bosgebruik en het agrarische grondgebruik, intensivering en schaalvergroting zijn veel mantelzoomvegetaties aan bosranden echter verdwenen. De overgebleven mantel-zoomvegetaties worden ook weer op allerlei manieren bedreigd.
Een eerste bedreiging wordt gevormd door het verwijderen van bramenstruwelen en ander struikgewas bij bosranden uit oogpunt van vegetatiebeheer. De ondergroei waarin een grote variatie aan bes- en vruchtdragende soorten voorkomt wordt aangetast. Bovendien verdwijnen dicht bebladerde en veelsten-gelige struweelvegetaties. Dit is funest omdat de boven de grond levende hazelmuizen juist deze ondergroei nodig hebben om zich erin te kunnen voortbewegen en om naar voedsel te zoeken.
Een tweede bedreiging is het vaak te ingrijpende onderhoudswerk als maaien en kappen aan bosranden en wegbermen. Vooral wanneer dit in de voortplantingstijd gebeurt worden nesten verstoord of stukgemaaid. Dit is vaak te wijten aan gebrekkige voorlichting zodat veel grondeigenaren en terreinbeheerders soortgerichte maatregelen achterwege laten en zo schade wordt toegebracht aan bestaande leefgebieden.
Een derde bedreiging vormt het afwezig zijn van een gevarieerde opbouw in bossen, waarbij verschillende stadia tussen jonge en oude bomen ontbreken. Hierdoor kan zich geen afwisselende vegetatiestructuur ontwikkelen.
Een laatste bedreiging vormen de onverharde en verharde wegen. Die zijn voor hazelmuizen een niet te nemen barrière. Doorsnijding van een aaneengesloten leefgebied maakt het moeilijk voor de hazelmuis om zich in andere potentiële leefgebieden te vestigen.
Een tweede bedreiging is het vaak te ingrijpende onderhoudswerk als maaien en kappen aan bosranden en wegbermen. Vooral wanneer dit in de voortplantingstijd gebeurt worden nesten verstoord of stukgemaaid. Dit is vaak te wijten aan gebrekkige voorlichting zodat veel grondeigenaren en terreinbeheerders soortgerichte maatregelen achterwege laten en zo schade wordt toegebracht aan bestaande leefgebieden.
Een derde bedreiging vormt het afwezig zijn van een gevarieerde opbouw in bossen, waarbij verschillende stadia tussen jonge en oude bomen ontbreken. Hierdoor kan zich geen afwisselende vegetatiestructuur ontwikkelen.
Een laatste bedreiging vormen de onverharde en verharde wegen. Die zijn voor hazelmuizen een niet te nemen barrière. Doorsnijding van een aaneengesloten leefgebied maakt het moeilijk voor de hazelmuis om zich in andere potentiële leefgebieden te vestigen.
Verspreiding
Al deze verontrustende berichten zijn niet onterecht. In Nederland is het leefgebied van de hazelmuis de afgelopen decennia ingekrompen tot een klein gebied in Zuidoost-Limburg, waar hij alleen nog in de bossen op de hellingen van de Geul en de Gulp wordt aangetroffen.
Het verspreidingsgebied is wel grensoverschrijdend zodat het doorloopt tot in België en Duitsland.
De hazelmuis blijkt vooral in heuvellandschappen en gebergten voor te komen. In Limburg wordt hij met name aangetroffen in en nabij loofbossen. Zijn biotoop ligt vooral in eiken-beukenbos of vochtig eiken-haagbeukenbos op vochtige löss-leemgronden. Momenteel leven bij benadering nog een kleine 1500 hazelmuizen in het Mergelland.
Nestplaatskeuze en terreingebruik
Onder-zoek in de jaren 1990-1995 in Zuid-Limburg toont aan dat 90 procent van de 377 gevonden nesten in loofbos blijkt te liggen. Daarbinnen blijkt de hazelmuis een duidelijke voorkeur te hebben voor natuurlijke loofbossen met een gevarieerde boom- en struiklaag boven aangeplante bossen, waarbij één boomsoort over-heerst. Slechts tien procent van de nesten ligt in gemengde naald- en loofbossen. Hazelmuizen maken gebruik van alle vegetatielagen die zij tot hun beschikking hebben: boomlaag, struiklaag en ondergroei.
De braam domineert in de struiklaag waar de nesten te vinden zijn, vaak in combinatie met brandnetel en adelaarsvaren. Deze planten worden begeleid door soorten als brem, rode kor-noelje, hop, kardinaalsmuts en Gelderse roos.
In de zomer bouwt de hazelmuis nesten op de zuidelijke randen van bossen. Hier is het droog, warm en zonnig, waardoor planten en struiken veel vruchten kunnen dragen. Tijdens de winterslaapperiode bevinden de nesten zich vaak op de noord- en noordwesthellingen. Deze hellingen zijn vochtiger dan de zuidelijke hellingen. Deze vochtigere omstandigheden zijn voor hazelmuizen een voorwaarde om te overwinteren. Ze slapen namelijk graag in een strooisellaag en hebben daarbij behoefte aan een stabiele en hoge luchtvochtigheid.
Volwassen dieren zijn zeer plaatstrouw. De gemiddelde afstand die hazelmuizen afleggen om naar voedsel te zoeken vanaf het nest bedraagt meestal tussen 50-100 meter. Vrouwtjes verplaatsen zich minder ver van hun nest dan mannetjes. Jonge hazelmuizen leggen grotere afstanden af, tussen 300-600 meter.
De maximale afstand die hazelmuizen kunnen afleggen om zich in een nieuw gebied te vestigen bedraagt slechts enkele kilometers. Deze afstand geldt alleen als ze zich door aaneengesloten bosgebieden en landschappen kunnen verplaatsen met veel kleine, opgaande elementen als houtwallen en bosjes.
Nesten
Hazelmuizen bouwen hun 6 tot 15 cm grote nest zelf, maar maken ook gebruik van natuurlijke holten in bomen of nestkasten. Het zelfgemaakte nest is bolvormig en hangt in de vegetatie, boven de grond. Het is gemaakt van plantenmateriaal, voornamelijk bladeren van loofbomen, braam en grashalmen, dat ze in de directe omgeving vinden. De hazelmuis bevestigt zijn behuizing aan stengels van struiken of in de vork van jonge boompjes. Het dier bouwt meerdere nesten per seizoen; nesten om te slapen en nesten om zich in voort te planten.
Voedsel
Hazelmuizen verplaatsen zich niet ver van hun nestplaats. In de directe omgeving van hun nest moet daarom een structuurrijke, afwisselende boom- en struiklaag aanwezig zijn. Een hazelmuis houdt van gevarieerd eten. Hij leeft van energierijk, vooral plantaardig voedsel zoals vruchten, bessen, noten en knoppen van bomen en struiken. Bij een tekort aan dergelijk voedsel in het voorjaar en de zomer eet hij ook insecten, vooral rupsen en bladluizen. De hazelmuis is dus geen kieskeurige eter en hij past zijn eetgedrag en terreinvoorkeur aan de beschikbaarheid van voedsel in de verschillende seizoenen. Dat varieert van bloemen (nectar) en knoppen in het voorjaar en voorzomer, voornamelijk insecten in de zomer tot vruchten en noten in de herfst. Hazelmuizen houden van zachte vruchten zoals taxus, braam en Gelderse roos, en van hazelnoten.
Wil de hazelmuis in Limburg blijven voortbestaan dan moet zijn leefgebied worden veiliggesteld en uitgebreid. Daarvoor zijn maatregelen, zoals in het actieplan beschreven, noodzakelijk. Voor de uitvoering van deze maatregelen is een breed draagvlak nodig bij zowel particuliere grondeigenaren als terreinbeherende instanties.
Een start is gemaakt. Met twee gemeenten is overeenstemming bereikt om een hazelmuisvriendelijk beheer te voeren aan de bosranden bij twee levensvatbare populaties. Hier zal de meest kwetsbare periode, de voortplantingstijd, bij het beheer worden ontzien. Daarnaast zijn vrijwilligers bezig om drie kilometer bosrand vrij te maken van snoeiafval. Op deze manier krijgt de bosrandvegetatie meer kans om tot ontwikkeling te komen.
In de loop van dit jaar vindt overleg plaats met grondeigenaren en terreinbeheerders om overeenstemming te bereiken over het daadwerkelijk uitvoeren van de andere maatregelen.
Wanneer de maatregelen uit het actieplan daadwerkelijk worden uitgevoerd, ontstaat in het Mergelland weer een duurzaam leefgebied voor de hazelmuis.
