Dudeljo klinkt zijn lied…
Wie kent hem nog? Een vogel ter grootte van een merel met een geelzwart verenkleed en een rode snavel? Zijn roep, wielewaal, doet mij meteen denken aan een tropische vogel en zorgt voor opwinding. Mijn zintuigen concentreren zich, want ik wil deze vogel op zijn minst nog eens horen en als het kan zelfs zien. Ik weet dat dit laatste moeilijk is want het dier vertoeft meestal in de boomkruin. Vaak is het een Canadese populier van waaruit de wielewaal zijn eigen naam roept. Net zoals bij vele andere vogels hebben de mensen dit dier die naam gegeven die ze als een klanknabootsing denken te horen. Andere voorbeelden zijn onder andere de koekoek, tjiftjaf, kievit, grutto, wulp en oehoe.
Als ik weer eeens een wielewaal hoor denk ik weer terug aan mijn jeugd. Helaas gebeurt dit nog maar zelden en is dit beperkt tot enkele malen per jaar. Als vijftienjarige jongen keek ik steeds meer naar vogels. Een eenvoudige verrekijker die ik had gespaard van mijn beperkt wekelijks zakgeld, gaf me enorm veel genot. Vooral in het voorjaar als alle mannetjes vogels hun best deden om zich maar te laten horen om een vrouwtje te lokken, trok ik erop uit. De waarnemingen van de wielewaal zijn me altijd bijgebleven.
Het beste excursiegebied voor deze soort voor mij was het gehucht Waterval, dat bestond uit 22 huizen en boerderijen. Door dit gehucht stroomde de Watervalderbeek. Deze was toen nog omgeven was door hakhoutbosjes, aanplant van Canadese populieren, hoogstamboomgaarden en weilanden. Vanaf de eerste week van mei was er de roep van de wielewaal te horen. Diverse roepende mannetjes deden hun best om zich zo goed mogelijk te laten horen. Het is vooral de roep die opvalt; de zang is een minder ver hoorbaar gebrabbel en doet een beetje denken aan de zang van de vlaamse gaai. Als de mannetjes pas terug zijn uit het diepe Afrika zijn ze minder alert ten opzichte van hun schuwheid naar mensen en besteden ze alle aandacht aan het lokken van de vrouwtjes en het verdedigen van hun gebied tegen concurrerende mannetjes. Mijn oom, een bekend stroper in deze contreien, zei zelfs: “in deze tijd van het jaar moet je goed opletten want ze vliegen je je pet van je hoofd.” En inderdaad. ’s Morgensvroeg was de beste tijd om op pad te gaan en je kon dan vrij makkelijk de vogels bekijken. Ook de omringende kersenboomgaard werd goed bezocht als de vruchten rijp waren. Eén keer is het me gelukt om een bezet nest te vinden. In een vork van twee twijgen van een Canadese populier was een nest geweven van grashalmen en dunne twijgjes. Dit nest zat op ongeveer acht meter hoogte en was vanaf de doorgaande verharde weg door Waterval goed te zien. Waarschijnlijk te goed, want bij mijn volgend bezoek was het nest leeg. Van de dader ontbrak elk spoor.
Tegenwoordig kom ik deze vogel nog slechts in de populierenbosjes langs de Maas tegen. In mijn telgebied ten noorden van Maastricht bij Itteren en Borgharen, broedt deze soort nog elk jaar in een populieren bosje van vijf hectare groot. Al vele jaren heb ik de vogel niet meer gezien. Waarschijnlijk gun ik mezelf geen tijd om tussen de bomen op zoek te gaan naar degene die het prachtig opvallend geluid produceert.
De prachtige hellingbossen in Zuid-Limburg herbergen nog maar enkel broedparen. Rond 1970 waren nog zeven territoria bezet op de Meerssener heide (tegenwoordig de Dellen genoemd), die ongeveer 50 hectare groot is. De laatste jaren broedt hier geen enkel paar meer. Dit geldt ook voor het Bunderbos en zelfs voor het Savelsbos. Zou het kappen van de hoogstamboomgaarden bij het Savelsbos hier iets mee te maken hebben? Het zou kunnen, al gebiedt de eerlijkheid mij te bekennen dat er rondom de Meerssener heide geen enkel hoogstamboomgaard in die tijd aanwezig was.
Walther van der Coelen
IKL Hoogstamnieuws, voorjaar 2003
