MARKANTE VERSCHIJNINGEN IN HET LANDSCHAP
Knoestige knotbomen zijn al eeuwenlang een vertrouwd beeld in ons cultuurlandschap. Generaties oogstten het hout door eenvoudig knotwerk. De laatste decennia dreigen deze door de mens gevormde bomen echter uit ons landschap te verdwijnen. Ze zijn nauwelijks meer nodig als leverancier van boerengeriefhout. Toch zijn er nogal wat redenen, om deze bijzondere bomen voor ons landschap te behouden. Al is het maar voor het steeluiltje……
Een knotboom is een karakteristiek voorbeeld van een natuurlijk element in wiens groeiproces de mens regelmatig ingrijpt. Die ingrepen bestaan uit het van tijd tot tijd afzagen van alle takken op enkele meters boven de grond. Door dit periodiek knotten ontstaan aan het einde van de stam grote knoesten, waaruit vanzelf weer nieuwe takken groeien. Door het wegrotten van het oude hout wordt de kroon geleidelijk hol. Hoewel met knotbomen vaak wilgen bedoeld worden, vinden we in Limburg afhankelijk van de bodemsoort ook essen, populieren, eiken, haagbeuken, elzen en iepen die geknot worden. De wilgen, populieren en elzen treffen we meestal op de vochtige, vrij voedselrijke bodems in beek- en rivierdalen aan. Eiken, essen en iepen kunnen ook op de drogere gronden voorkomen.
Beschutting
Het regelmatig knotten van bomen geschiedde vroeger beslist niet vanwege de schoonheid van de knot, maar simpelweg omdat de producten op allerlei manieren van pas kwamen op de boerderij. Ze hadden eeuwenlang een functie voor de boer. Ze dienden als grensafscheiding en beschutten het vee tegen harde wind, felle zon, hagelbuiten en slagregens. Maar bovenal kon het hout regelmatig geoogst worden. Dat was eeuwenlang van belang voor de boeren die in hun eigen onderhoud voorzagen door zoveel mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheden van de natuur. Door de knot op enkele meters af te zagen kon het vee niet aan de smakelijke twijgen.
De knotwilg
Voor Nederland is de knotwilg de meest algemene knotboom. Dat is ook niet zo gek, want deze boom (meestentijds de schietwilg) treft men van nature vooral aan op de vochtige, natte, dus lagere delen in het landschap.
In het veenweidegebied, het rivierenlandschap en langs beken en dijken waren het veel voorkomende bomen. In Limburg treffen we nu nog vooral knotwilgen aan in het Maasdal en in enkele beekdalen. Voorts komen op de plateaus langs de veldwegen en perceelsranden in Vijlen, Heyenrade, Bahneheide en Ubachsberg nog concentraties met knotwilgen
Vele toepassingen
Er zijn maar weinig bomen in Nederland, waarvan de producten op zoveel manieren toepassing vinden als de knotwilg. Dat komt met name ook door de eigenschappen van het wilgenhout. Het hout is taai en toch buigzaam. Met name door die veerkracht worden de tenen, de een- of tweejarige onvertakte twijgen al tijdenlang voor allerlei bind- en vlechtmateriaal gebruikt. Opgravingen hebben aangetoond dat de mensen reeds voor het begin van onze jaartelling gebruik maakten van wilgentenen. Zij bouwden er huizen mee en vlochten er gebruiksvoorwerpen van. Tot de tweede wereldoorlog trof men nog overal op het platteland mandenvlechters of ‘körvers’ aan. Met de tenen van de wilg konden zij alle kanten op. Van Manden, korven, kooien, horren tot wilgentenen fuiken en beschoeiingen. Ook bij het herstel van omheiningen werd handig gebruik gemaakt van de tenen. De twijgen deden door een simpele wrong vaak dienst als touwtje.
Abraham en de mutserd
In Zuid-Limburg werden de wanden van de vakwerkhuizen gemaakt van tenen van wilg of hazelaar die bepleisterd werden met een mengsel van leem en stro. De dikkere meerjarige takken deden dienst als bonenstaken, stutten voor fruitbomen en stelen van handgereedschap. Aangezien ‘afval’ toen nog overal voor gebruikt kon worden, verdwenen restanten van twijgen, de haren of mutsaard of mutterd (takkenbossen) in de oven van het bakhuis. Dit zogenaamde mutshaar is afgeleid van ‘moetsen’ of ‘mutsen’, wat verminken betekent. Het spreekwoord ‘weten waar Abraham de mosterd haalt’ zou hier vandaan komen. Bedoeld wordt, weten waar Abraham de mutsaard haalt: het brandhout voor de brandstapel waar hij zijn zoon Isaak op zou verbranden.
Omdat de bomen zo’n belangrijke economische waarde vertegenwoordigden voor boeren en andere mensen, stonden ze overal in Nederland. Landschapsschilders als Jan de Beyer, Potter, Rembrandt en Van Gogh konden bij het vereeuwigen van het Nederlandse landschap dan ook gewoonweg niet om de knotbomen heen. Overigens is het knotten niet typisch Nederland. Ook in andere landen komen bomen voor die regelmatig gesnoeid of afgezet worden.
Bijen
Naast ‘boerengeriefboom’ waren en zijn knotwilgen ook van belang voor de natuur. Imkers weten dat als geen ander. In het vroege voorjaar is de wilg namelijk een belangrijke drachtplant. Dan vliegen de bijen, als er voor hen nog maar weinig voedsel te vinden is, op de vroeg bloeiende wilgen. Daarnaast hadden de boeren van destijds bijzonder goed door dat de bomen de sloot- en wegkanten verstevigden. Knotbomen werden ook veelal langs poelen aangeplant, aangezien de schaduw van de bomen de verdamping beperkte. Bovendien zorgt het bladerdak voor een verminderde plantengroei, waardoor met minder onderhoud van de poel of sloot kan worden volstaan.
Voedselarm milieu
Door het eens in de zoveel jaar knotten van de twijgen ontstaan grote knoesten die gemakkelijk inwateren. Bij wilgen rot hierdoor het kernhout weg. De planten en dieren reageren hier onmiddellijk op. Vooral op de oudere bomen komen vele en bijzondere mossen voor. In het vermolmde hout wortelen planten die weer profiteren van het voedselarm milieu. Dat is met name het geval bij varens. Maar ook andere planten voelen zich in de knoesten thuis. Inde knot van wilgen kan men onder meer fluitekruid, paardebloem, bitterzoet, hennep- en brandnetel, dagkoekoeksbloem, meidoorn, roos, berk en vlier aantreffen. Bomen met een rijke plantenwereld zijn ook weer van belang voor de ongewervelden. Het insectenleven is op deze plaatsen dan ook vaak erg rijk. Wat op zijn beurt weer van direct belang is van holenbroeders als de gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, ringmus en mees, die ook graag insecten eten. Zij maken dankbaar gebruik van de vele holtes en spleten die in zo’n boom kunnen voorkomen. Dat geldt overigens ook voor een aantal kleine zoogdieren. Zo vertoeven vleermuizen in de zomer en muizen en kleine marterachtigen graag in deze landschapselementen.
Steenuil
Ook voor roofvogels zijn knotbomen belangrijk. Torenvalk, ransuil, bosuil leggen voor hun nest een grote voorkeur aan de dag voor de knotbomen. Een van de meest aansprekende soorten is zonder twijfel de steenuil. Meer dan de helft van de steenuilen broedt in de knoestige wilgen. Hij gebruikt daarbij een kleiner hol dan de bos- en ransuil. Van die vogels broeden respectievelijk 30 en 15 procent in knotbomen. Overigens is de voorkeur van deze vogels wel gekoppeld aan de vorm van de boom. Een ransuil verkiest een vrij brede kroon, terwijl de bosuil de voorkeur geeft aan bomen die vrijwel tot op de bodem hol zijn (kachelpijp). Het steenuiltje daarentegen prefereert de smalle holtes van de knotwilg.
Verwaarlozing
Met het in gebruik komen van nieuwe materialen en producten verdween de noodzaak om de bomen regelmatig te knotten. Voor het afscheiden van grenzen hoefden ze niet meer te worden gepoot. Prikkeldraad volstond namelijk veel beter. Met de komst van olie en aardgas, verviel ook de noodzaak om voor de winterdag een voorraad brandhout te verzamelen. Klompen werden vervangen door schoenen en laarzen. Bovendien werden de boerengezinnen kleiner. De landbouw intensiever, waardoor er in de wintermaanden geen tijd en arbeidskracht meer was om de bomen te knotten.
De knotbomen werden verwaarloosd. De mutsen of pruiken werden topzwaar, zodat ze uitscheurden of omvielen.
Daarnaast verdwenen nogal wat bomen bij de uitbreiding van landbouwpercelen, ruilverkavelingen, de uitbreiding van industrieterreinen, woonwijken en de kanalisatie van beken. Kortom, de boom moest wijken voor de vooruitgang.
Vervlakking
Na de tweede wereldoorlog is het aantal knotbomen, net als andere kleine landschapselementen in aantal teruggelopen. Dit heeft een verschraling of vervlakking in het landschap tot gevolg gehad. De aansprekende bomen vielen weg, waardoor het landschap kaler, monotoner werd. Deze ontwikkeling zag de stichting Natuur en Milieu al in de zestiger jaren aankomen. In 1968 waarschuwde deze organisatie namelijk al dat de verwaarlozing van de knotboom schadelijk is voor het Nederlandse landschap. Het noodzakelijke onderhoud aan de bomen werd in de jaren zeventig opgepakt door enthousiaste vrijwilligers. Dit leidde in het begin van de jaren tachtig tot de oprichting van de provinciale stichtingen voor natuur en landschapsbeheer. De stichting IKL maakt onderdeel uit van dit platform dat de naam Landelijk Overleg Natuur en Landschapsbeheer draagt. Thans wordt in brede kring onderkend dat de functie van de knotboom en andere landschapselemen-ten voor de boer weliswaar beperkt is, maar ze wel een belangrijke landschappelijke, cultuurhisto-ri-sche en vooral ecologische betekenis hebben in het immer vervlakkende landschap. Natuurverenigingen kunnen zich ook inzetten voor het behoud van deze bijzondere bomen. Zo zijn er in Limburg diverse IVN-afdelingen die zich bezighouden met het behoud van knotbomen. Het IVN Land van Swentibold heeft zelfs een aparte werkgroep Behoud Knotbomen in het leven geroepen. In hun gebied kan momenteel geen enkele achterstallige knotboom meer worden aangetroffen.
Onderhoud
Het huidige onderhoud richt zich vooral op het behoud van de boom. De oogst van hout is van veel minder belang. Afhankelijk van de boomsoort en gebruik van het hout dat van knot afkomt werd een knotboom één keer in de vier tot twintig jaar geknot. Een kortere knot- of kapcyclus is niet goed voor de boom. Het remt de groeikracht van de boom en op den duur kan dit leiden tot sterfte. In het algemeen worden knotwilgen eenmaal in de vier tot acht jaar geknot.
De groeikracht van een eik laat een knotbeurt toe van tien tot twintig jaar. Een kortere knotcyclus wordt afgeraden, aangezien het knotten voor de boom een zware ingreep is. Bomen die lang niet geknot zijn en waarvan de groeikracht niet groot is, kunnen een knotbeurt wellicht niet overleven. Geknotte bomen die in de schaduw van andere bomen staan lopen iets minder gemakkelijk uit. Het is dan ook nodig de andere bomen af te zetten.
Knotwerk
Vanaf een korte ladder kunnen de takken aan de buitenkant worden afgezaagd. Daarbij is het van belang dat men voorkomt dat de takken op elkaar vallen. Hierdoor kunnen namelijk gevaarlijke situaties ontstaan. Takken die eenmaal vallen zijn niet meer bij te sturen. Een vallende tak kan de ladder wegslaan. Daarom is het ook beter zo veel mogelijk vanuit de knot te zagen. De Jiri-zaag is heel geschikt om takken die dicht op elkaar staan te zagen. Het slanke zaagblad past bijna overal tussen en de lengte van het blad maakt dat stammen van 30 centimeter makkelijk gezaagd kunnen worden. Hoewel beugelzagen net zo goed zagen zijn ze minder geschikt voor het knotwerk. De beugel past vaak niet tussen de takken waardoor er niet gemakkelijk gewerkt wordt.
Aanplant
Knotbomen hebben niet het eeuwige leven. Zelfs de beste knotter kan dat niet voorkomen. Willen we knotboomrijen in het landschap voor de toekomst behouden, dan moeten de plekken die open vallen door sterfte, voortdurend aangevuld worden met jonge aanplant. Wordt hier te lang mee gewachtdat is de rij zo uit het landschap verdwenen. Als er dan jonge boompjes worden geplant duurt het nog vrij lang voor er sprake is van een knotbomenrij.
Snel resultaat
Knotbomen kunnen als boom of jong plantgoed worden geplant. Een boom kan meteen afgetopt worden, waardoor al snel het gewenste resultaat bereikt wordt. Met jong plantgoed duurt het langer voordat er sprake is van een knotboom. Na verloop van tijd wordt de kop op de gewenste hoogte, meestal op ongeveer 2,5 meter afgezaagd.
Wilgen en populieren kunnen ook als poter, staak of stek worden gezet. Een stek steekt 2 tot 2,5 meter boven de grond en zit minstens een halve meter in de grond. Bij drassige grond moet dit iets meer zijn. De poter moet stevig staan. Goed stekmateriaal heeft een leeftijd van drie tot vier jaar, is onderaan zo’n vijf centimeter dik en is vrij van ziekten. De onderkant wordt schuin afgehakt of gezaagd, om de poter meer stevigheid te geven.
De zijtakken en top worden verwijderd. De stek kan in drassige grond vaak zonder hulpmiddelen worden weggestoken. In stevige grond kan met de grondboor een gat voor de stek worden geboord. De grond rond de stam moet wel aangewaterd of aangevuld worden. De vorming van wortels kan worden gestimuleerd door op een of twee plekken de schors van de stek over een lengte die in de grond komt weg te snijden.
Na een jaar zullen over de hele stam scheuten staan. Behalve de topscheuten kan men de rest het beste verwijderen. Als de topscheuten te zwaar zijn kunnen de grootste worden gesnoeid. Aangezien het vee graag de schouders en de billen aan de bomen schuurt, moeten jonge boompjes met een raster afgeschermd worden. Daarmee voorkomt men tevens veevraat.

