Houtwallen: de groene aders van de zandgronden


Bij een Limburgs landschap heeft de doorsnee Nederlander een idyllisch beeld voor ogen van heuvels, bezaaid met boomgaarden en dooraderd met heggen, graften en holle wegen. Daarbij wordt voorbij gegaan aan het feit dat het grootste deel van Limburg bestaat uit zandgronden met een totaal ander karakter.

De hoogteverschillen in de landschappen van de zandgronden zijn vaak nauwelijks zichtbaar. Graften en holle wegen komen hier niet voor. Hier zijn het de houtwallen die het boerenland stofferen. Ze vormen de levende getuigen van de vroegere ontginningen en landbouwmethodes en zijn van groot belang voor wilde platen en dieren.

Celtic fields
Van de oudst bekende houtwallen in Nederland resteren niet meer dan vage sporen in de grond. Op luchtfoto’s van enkele gebieden in Drenthe is een regelmatig patroon zichtbaar van regelmatige, 30 tot 40 meter grote vierkanten. Dat zijn de restanten van 2500 jaar oude aarden wallen. Door de boeren uit de steentijd aangelegd rond de toenmalige akkers. In Limburg zijn dergelijke ‘çeltic fields’ niet bekend. De oudste, nog aanwezige houtwallen stammen uit de periode na de Middeleeuwen.

Schapen en heidevelden
Schapen en heide hebben een sleutelrol gespeeld bij het ontstaan van de oude houtwallen. Overal op de Nederlandse zandgronden ontwikkelde zich in de late Middeleeuwen een landbouwsysteem dat gebaseerd was op schapen. Die hadden als belangrijke functie het produceren van mest voor de akkers, die rondom de nederzettingen lagen. De schapen werden geweid op de omringende woeste gronden, die vaak in gemeenschappelijk bezit waren. ’s Avonds werden de schapen bijeen gedreven in zogenaamde ‘potstallen’.  Hier werden de uitwerpselen van de dieren vermengd met door de boer aangebracht lagen van heideplaggen en strooisel. Van tijd tot tijd werd de steeds dikker wordende laag mest over de akkers verspreid. Zandgronden zijn van nature arm en er was dus veel organische mest nodig om het productieniveau van de akkers op peil te houden. Gemiddeld was er tien hectare woeste grond nodig om op deze manier een hectare akker te kunnen bemesten. Tot ver in de Middeleeuwen was het grootste deel van de zandgronden bebost, maar door de toenemende begrazingsdruk van de schapen verdween de oorspronkelijke begroeiing. De woeste gronden werden steeds schraler. Uiteindelijk ontstond er een landschap van uitgestrekte en kale heidevelden met verspreid liggende kleine dorpen en bijbehorende landbouwgronden.

Veekering en eigendomsmarkering

Houtwallen werden aangelegd rond de akkercomplexen met de bedoeling om het wild en de schapen toegang tot de gewassen te belemmeren. In oude zandontginningen, bijvoorbeeld bij de dorpen Haler en Ittervoort in de gemeente Hunsel, zijn dit soort houtwallen nog goed herkenbaar. Ook werden de houtwallen aangelegd langs de paden die vanuit veel dorpen in een waaiervormig patroon over de velden en akkers naar de heide leidden. Deze paden werden veelvuldig gebruikt door schaapskudden. De wallen langs deze schapedriften dienden om het vee op het rechte pad en van de akkers te houden. Meestal werden de nederzettingen op de zandgronden gebouwd in de nabijheid van beken. De daarlangs liggende natte en regelmatig overstroomde gronden deden dienst als weiland en hooiland. Houtwallen waren hier nodig om de eigendommen te markeren, maar ook om het vee uit elkaars weilanden te houden.

Greppel en wallichaam
De typische vorm van houtwallen heeft alles te maken met hun oorspronkelijke veekerende functie.Ze bestaan altijd uit minstens één diepe greppel en een daarnaast opgeworpen wallichaam. Dat is opgebouwd uit de vrijgekomen grond van de greppel, maar vaak zijn er ook plaggen op aangebracht. Ook bij de ontginning vrijgekomen stenen en stronken werden in de wal verwerkt. In ieder geval ontstond er een een tot anderhalve meter hoog grondlichaam met steile kanten: een onneembare hindernis voor koeien en schapen. De wal zelf werd beplant om de veekerende werking te versterken.

Tot ver in de twintigste eeuw werden nog nieuwe houtwallen aangelegd bij grootschalige ontginningen van zogenaamde woeste gronden, de restanten van het vroegere heidelandschap.  De houtwallen van deze jonge ontginningen vertonen qua opbouw en verschijning veel overeenkomsten met de oude houtwallen. Maar meestal zijn ze langer, rechter en in een grootschaliger patroon gerangschikt. Dergelijke houtwallen vinden we nog in de heideontginngingen langs de Duitse grens in de gemeente Bergen.

Leefgebied en verbindingsweg

Houtwallen kunnen onderdak, voedsel en beschutting bieden aan allerlei planten en dieren. Sommige dieren, zoals de bosmuis, kunnen hun hele leven doorbrengen in een houtwal, zonder ooit een poot te zetten in het omliggende vijandige terrein. Voor andere dieren is een houtwal niet meer dan een deel van het leefgebied. Zo is een houtwal voor de das een verbindingsweg tijdens zijn nachtelijke voedseltochten. Van alle dieren en planten die in het cultuurlandschap op de zandgronden leven, maken er heel veel gebruik van houtwallen en andere lijnvormige begroeiingen. Dat is ook wel te verwachten, omdat de intensief  bewerkte landbouwgronden weinig ruimte laten voor andere organismen dan de gewenste cultuurgewassen. Houtwallen en singels zijn in dit opzicht te beschouwen als de groene levensaders van de zandgronden.

Planten
De betekenis van houtwallen als groeiplaats van planten is vaak gering. Dat komt door de grote invloed van het aangrenzende landbouwkundig gebruik van de percelen. Omdat houtwallen relatief smal zijn, doen negatieve invloeden van onbedoelde bemesting en inwaaiende bestrijdingsmiddelen zich over de hele oppervlakte gelden. Vooral als de houtwallen in akkerland liggen bestaat de begroeiing meestal uit gewone soorten als kweekgras, kropaar en gewone glanshaver. Ook groeien er vaak planten die op verstoring duiden: brandnetel, kleefkruid en braam. Bij gunstige omstandigheden kunnen ook minder algemene planten een groeiplaats vinden in houtwallen. Uit onderzoek is gebleken dat eenderde van alle plantensoorten die in Nederland voorkomen ook in houtwallen groeien. De boomlaag van een houtwal bestaat bijna altijd grotendeels uit inlandse eik en berk. Op schrale gronden is het aantal struikvormende houtsoorten beperkt tot lijsterbes en vuilboom.

Zoogdieren
Kleine zoogdieren als muizen kunnen ineen houtwal alles vinden wat ze in hun leven nodig hebben. Een zeldzame soort als de ondergrondse woelmuis komt alleen in Zuid-Nederland voor en is tot nu toe uitsluitend waargenomen in houtwallen en bosranden. Van de inheemse marterachtigen brengen de wezel en de hermelijn veel tijd door in houtwallen. Daar vinden ze muizen, die een belangrijke voedselbron zijn. Ook de grotere bunzing en steenmarter blijken tijdens hun voedseltochten relatief veel tijd door te brengen in beplantingsstroken. De das tenslotte maakt graag gebruik van de dekking van houtwallen tijdens zijn uitstapjes. Andere zoogdieren die profiteren van houtwallen zijn het konijn, die graag zijn hol graaft in begroeiingsranden, de egel en vleermuizen. Enkele soorten daarvan verplaatsen zich bij voorkeur langs begroeide lijnen in het landschap. Waarschijnlijk omdat  daar ook veel insecten te vinden zijn, maar soms ook omdat ze de beplanting nodig hebben om zich te oriënteren met behulp van hun echolocatiesysteem.

Vogels
In Nederland broeden circa 200 vogelsoorten. De helft daarvan leeft in het agrarische landschap en rond bebouwing. In houtwallen kunnen bijna 60 soorten broedend worden aangetroffen. Samen met bosranden blijken dat in het cultuurlandschap de soortenrijkste biotopen voor vogels zijn. Dat is logisch, want in houtwallen vinden ze beschutting en voedsel in de vorm van bessen, vruchten en veel insecten. Nestgelegenheid is er voor elk wat wils: hoge bomen voor kraaien en eksters, holtes voor kool- en pimpelmezen, spreeuw, ringmus en steeluil, dicht struikgewas en lage begroeiing voor merel, heggemus en zwartkop. In houtwallen met een boom-, struik- en kruidlaag worden de meeste vogelsoorten gevonden. Ook een gevarieerde samenstelling en de afmetingen van de begroeiing werken positief: in brede houtwallen broeden meer vogelsoorten dan in smalle.

Amfibieën

Voor amfibieën van het cultuurlandschap kunnen houtwallen een belangrijk onderdeel van het leefgebied zijn. De gewone pad en bruine kikker leven buiten de voortplantingstijd veel op het land en kunnen in een houtwal en andere houtopstanden beschutting en voedsel vinden. Bij hun jaarlijkse trektochten naar en van hun voortplantingswater maken padden bij voorkeur gebruik van begroeide lijnen in het landschap. Salamanders tenslotte worden uitsluitend gevonden in poelen met bos of andere houtopstanden in de directe omgeving. Vooral in gebieden met weinig bos zorgen houtwallen ervoor dat deze dieren in het cultuurlandschap op de zandgronden overleven.

Insecten

In houtwallen leven relatief meer insecten dan in bossen. Door de langgerekte vorm van een houtwal valt er meer zonlicht op dan op een vergelijkbare oppervlakte bos met een blokvorm. De energie-toe-voer per vierkante meter grond is dus hoger en daarmee ook de hoeveelheid plantengroei. Planten-eten-de insecten profiteren daarvan. Een struik als de meidoorn kan voedsel bieden aan bijna 150 verschillende soorten insecten, de zomereik zelfs aan 280.
Vlinders maken graag gebruik van de beschutting van beplantingslijnen. Veel vlindersoorten leven van nature in bosranden; houtwallen kunnen vergelijkbare omstandigheden bieden. De citroenvlinder bijvoorbeeld is vaak langs de houtwallen aan te treffen, vooral als daarin ook nog diens voedselplant, de vuilboom groeit.

Traditioneel hakhoutbeheer

De vroegere boeren besteedden veel zorg en aandacht aan het beheer van hun met  moeite en grote inspanning aangelegde houtwallen. De begroeiing werd regelmatig gekapt, waarna de resterende stobben weer opnieuw tot struik konden uitlopen. Dat hakhoutbeheer had grote voordelen voor het boerenbedrijf. Op de eerste plaats bleef de begroeiing dicht en ondoordringbaar voor het vee. Verder was er sprake van regelmatige houtopbrengst voor allerlei doeleinden: brandhout, gereedschaps-stelen en stutten. Zelfs het kleine takhout was waardevol en werd tot bossen gebonden om de oven mee te stoken. Om dikker bouwhout te krijgen bleven op markante plekken in de houtwallen mooie bomen gespaard van de periodieke kap. De vroegere betekenis van wallen voor de houtproductie moet niet onderschat worden.
Het landschap van de vroegere boerensamenleving op de zandgronden was immers voornamelijk kaal: de oorspronkelijke bebossing op de woeste gronden was grotendeels verdwenen door overbeweiding. Op de akkercomplexen werd geen opgaande begroeiing getolereerd. Bijna al het benodigde hout moest komen van de wallen rond de akkers en in de beekdalen. Een ander voordeel van hakhoutbeheer was tenslotte dat de bomen en struiken laag bleven en daardoor weinig opbrengstverliezen veroorzaakten op de aangrenzende gronden.

Moderne inzichten

In de afgelopen tijd is bij natuurbeschermers en –beheerders steeds meer het besef gegroeid dat natuurlijke processen hun gang moeten kunnen gaan. Veel natuurterreinen worden in toenemende mate ook volgens dit principe beheerd. Het ten koste van veel inspanningen behouden van één of enkele soorten in een gebied is uit de tijd. Hoe zit dat nu met de houtwallen? Hakhoutbeheer is in hoge mate onnatuurlijk en bovendien arbeidsintensief en dus duur. Op het eerste gezicht is er daarom veel voor te zeggen om het periodiek kappen in houtwallen achterwege te laten, zodat de natuur haar gang kan gaan. Op den duur ontstaat dan vanzelf de gewenste variatie….

Niets is echter minder waar. De redenatie gaat wel op voor bossen van enige omvang, maar niet voor smalle lijnvormige houtopstanden in cultuurland zoals houtwallen. Als alle bomen ongehinderd doorgroeien zal op den duur de ondergroei verdwijnen door licht- en vochtconcurrentie. Er ontstaat uiteindelijk een rij oude bomen op een kale of hooguit met grassen begroeide wal. Landschappelijk kan dat wel mooi zijn, maar planten en dieren hebben veel meer aan een gevarieerde en gesloten begroeiing. Hakhoutbeheer blijkt een goed instrument te zijn om dit doel te bereiken, mits op de juiste wijze en met de nodige variatie toegepast. Een ander belangrijk argument voor hakhoutbeheer op houtwallen is van landbouwkundige aard: hoog en breed uitgroeiende bomen veroorzaken veel overlast en opbrengstverliezen op de naastliggende landbouwgronden. Dat kan voorkomen worden door periodieke kap.

Variatie
Ecologisch gezien is een houtwal het meest waardevol als er zoveel mogelijk variatie is. Oude bomen naast pas uitlopende stobben. Een goed ontwikkelde boomlaag, struiklaag en kruidlaag, maar ook stukken kale grond zonder begroeiing. Zo veel mogelijk soorten bomen en struiken. Het beheer moet op al deze zaken gericht zijn. Om variatie in leeftijd te krijgen is het goed om bij de  periodieke kap zgn. ‘overstaanders’ te sparen. Dat zijn bomen die mogen doorgroeien tot een van de volgende kapbeurten. Het aantal overstaanders moet niet te groot zijn en kan variëren van één tot tien per 100 meter lengte. Een andere manier om variatie te krijgen is het faseren van het kapbeheer. Dat gebeurt door slechts een deel van de hele houtwal onder handen te nemen. De rest blijft staan tot een volgende onderhoudsbeurt. Een vuistregel is dat kapbeheer nooit over een grotere lengte dan 100 meter mag plaatsvinden. Bij korte houtwallen die in één keer afgezet worden is het raadzaam om in ieder geval een klein gedeelte van de begroeiing te sparen. Daarin kunnen organismen zich terug trekken en vervolgens voor herbevolking van het kaalgekapte stuk zorgen. Ten slotte is het belangrijk om niet te netjes te werken. Er is geen reden om alles aan te harken. Dood hout verhoogt  de variatie, dus er mogen best wat stammen blijven liggen. Takhout kan op stapels gezet worden, die beschutting bieden aan vogels en kleine zoogdieren. Braamstruwelen hoeven niet verwijderd te worden als ze de hergroei van stobben of de jonge aanplant niet belemmeren.

Planten en rasters
Een deugdelijk raster tegen het vee is een belangrijke maatregel bij herstel en onderhoud van houtwallen. Dat moet  bij voorkeur op een meter afstand van het wallichaam staan. Als de onderste puntdraad niet lager gezet wordt dan zo’n zestig centimeter boven de grond, kan het vee er nog onderdoor grazen tot vlak bij het wallichaam.
Als veel bomen en stobben afgestorven zijn kan het nodig zijn om in een bestaande houtwal bij te planten. Dat hoeft alleen als er grote open plekken zijn ontstaan van meer dan twintig tot dertig meter lengte. Het is niet verstandig om allerlei soorten aan te planten, omdat vele daarvan toch zullen verdwijnen door de onderlinge concurrentie. Beter is het om niet meer dan één of twee soorten bomen en struiken te kiezen die het klaarblijkelijk goed doen in de betreffende wal.
De jonge plantjes van goede kwaliteit worden in groepen geplant met een onderlinge afstand van ongeveer een meter. In de eerste jaren moeten de plantgaatjes vrij gehouden worden van grassen en kruiden. Desondanks zal bijna zeker een gedeelte van de planten uitdrogen. Dat is niet erg omdat er uiteindelijk slechts enkele bo