Grubben, grachten, gatsen en holle wegen


Het heuvelland in Zuid-Limburg geniet behalve vanwege de lieflijke heuvels en dalen een grote bekendheid vanwege de holle wegen. Sinds Thijsse verrukt de veelkleurige flora en fauna beschreef, oogsten deze ‘nerven in het landschap’ veel bewondering bij natuurliefhebbers en toeristen. Wat weinigen echter weten is dat door het wegvallen van het regelmatig onderhoud, nogal wat taluds onderkomen zijn geraakt. De eens zo rijke vegetatie is verwilderd en eenzijdig van samenstelling geworden. Wat ook nog eens versterkt wordt door de mest van aangrenzende akkers.  De stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen in Limburg, IKL geeft aan hoe het achterstallige onderhoud weggewerkt wordt.

Het huidige reliëf in het Zuid-Limburgse heuvellandschap is het resultaat van de natuurlijke dalvorming tijdens het Pleistoceen. Door de eroderende of uitslijpende werking van het rivierwater ontstonden allerlei dalen in het landschap. De eerste bewoners van Zuid-Limburg bouwden hun nederzettingen in de lagergelegen beekdalen. Vanuit deze dorpjes trokken de boeren naar de hoger gelegen  akkers op de plateaus. Meestentijds nam men dan de lager gelegen delen van de dalhelling als verbindingsweg. Op den duur ontstond hierdoor een gangbaar pad. In deze laagste punten verzamelde zich echter ook het regenwater dat zich al meanderend, een weg naar beneden zocht.
doorsnede-holle-weg.jpg 

 Doorsnede holle weg


Het water sleepte op zijn weg naar beneden, naar gelang de hoeveelheid water, nogal wat erosiemateriaal mee. Doordat de holle weg keer op keer omgewoeld werd door hoeven van vee en paarden versnelde dit erosieproces. Hierdoor sleten de dalhellingen die in gebruik waren als verbindingsweg, steeds dieper uit ten opzichte van de hoger gelegen percelen. Zo werd de weg steeds dieper en lager. Gemiddeld betekende dit een uitdieping van twee centimeter per jaar. Bij een flinke onweersbui kon dit wel enkele tientallen centimeters bedragen. Uit oude kaarten blijkt dat zelfs de laatste honderd jaar nog holle wegen zijn ontstaan. Nog steeds hebben de holle wegen de functie van waterafvoer. De lengte en diepte van holle wegen varieert sterk. Aangenomen wordt dat de totale lengte van holle wegen 160 kilometer bedraagt. De diepte van de weg is afhankelijk van de hellingshoek, de lengte van de helling, de grondsoort, het onderhoud en de mate van gebruik. Er zijn holle wegen van een halve meter diep en 20 meter lang, maar er zijn er ook van tien meter diep en twee kilometer lang. De meeste wegen zijn meestal komvormig met op de diepste delen zeer steile wanden die doms zelfs iets overhangen. Wanneer de wanden nauwelijks begroeid zijn, wil het bij een regenbui nog wel eens voorkomen dat de wanden instorten. De samenstelling van de bodemsoorten is eveneens gevarieerd. Bij veel holle wegen zit zand, grind of mergel onder het oppervlakte van löss. De bodemverschillen op een kleine afstand komen uiteindelijk ook weer tot uiting in de begroeiing.

Grubben

Wanneer men de kaart van het heuvelland overziet dan vallen de verschillen tussen de holle wegen het beste op. In het oostelijke gedeelte van dit gebied dragen de lagergelegen plaatsen de naam Grubben. Deze diepe V-vormige dalen zijn een gevolg van de in het verleden sterk uitschurende werking van regen en dooiwater. Karakteristieke voorbeelden van deze dalen zijn de Sibbergrubbe, Oevergrubbe en Koeleboschgrubbe in Berg en de Trichtergrubbe in Valkenburg.
In het noordoostelijke deel van het Geulrandgebied dragen deze grubben de benaming Grachten, zoals in Ransdaal: Grachtweg en De Gracht in Haasdal.

Gatsen
De holle wegverbinding tussen een hoger gelegen deel naar een iets lager plateau kreeg de naam ‘gats’. Bij deze gatsen is de waterafvloeiing in het algemeen veel geringer dan bij een grubbe of gracht. Het hoger gelegen deel vormde weliswaar een verzamelbekken voor het water, maar dit water bleef niet lang staan. Vandaar de term droogdal. Voorbeelden van gatsen vindt men in Mingersborg: De Gats en de Felsgats in Hulsberg.

Onderhoud

In de Middeleeuwen hadden de bestuurders al door dat het voortgaand proces van erosie in de hand moest worden gehouden. Zo vaardigde de Prinsbisschop van Luik in 1416 al richtlijnen uit voor het onderhoud van de holle wegen (Robijns). Overigens had dit wegenonderhoud niet veel om het lijf. Na een regenbui werden de ontstane geulen weer opgevuld met materiaal uit het wegdek. Ook werden naast de weg kleine afwateringssleuven gegraven. Deze ingrepen konden desondanks niet voorkomen dat de uitholling gewoon doorging.

Wegtalud

Over het voormalig onderhoud en beheer van het wegtalud is niet veel bekend. Veel wegtaluds waren begroeid met grassen, kruiden en struiken. Om niet te veel overlast te veroorzaken voor het verkeer en de landbouw werden de bermen en taluds van de holle wegen regelmatig afgegraasd door rondtrekkende schaapskudden. Dit graasbeheer met het Mergellandschaap vond tot aan de Tweede Wereldoorlog plaats.

Nadat deze vorm van taludbeheer verdween, raakten veel holle wegen, al dan niet spontaan, begroeid met bomen en struiken zoals de hazelaar, kornoelje, vlier, sleedoorn, wilg en zoete kers. De mens ging echter ook over tot de aanplant van populier, esdoorn. Iep en acacia. Het hout werd door de boeren en eigenaren regelmatig afgezet, waarna het gebruikt werd als brand- en geriefhout. Deze wijze van beheer kwam in grote lijnen overeen met het hakhoutbeheer van de hellingbossen. De bomen en struiken werden selectief gekapt. Hier en daar spaarden de boeren en andere grondeigenaren een zogenaamde ‘overstaander’.

Doordat iedere grondeigenaar er een eigen hak-, snoei- en knotcyclus op na hield ontstond er een grote variatie in deze ‘kleine landschapselementen’.

Fauna
Als gevolg van de grote variatie van kruiden herbergen deze holle wegen vaak ook een rijke fauna. Vele soorten vogels en zoogdieren vinden hier hun vlucht- en nestelplaats. Maar ook amfibieën en reptielen voelen zich in de taluds van de holle wegen thuis. De das is om diverse redenen ook afhankelijk van de holle weg. Behalve als een geschikte gelegenheid om er zijn holen te graven, gebruikt hij de begroeiing van deze wegen ook als bescherming bij zijn nachtelijke voedseltochten. Waar dassen voorkomen is ook een zeer groot aantal andere prooidieren zoals slakken en wormen voorhanden. Marterachtigen zoals de Hermelijn, Bunzing en Steenmarter vinden hier eveneens hun woonplaats. De dichte, gemêleerde begroeiing is voor veel vogels als de lijster, appelvink en grauwe vliegenvanger een ideale broedplaats. De nachtegaal, braamsluiper, fitis, groenling en tuinfluiter vinden met name een goede broedplaats op die plaatsen waar de kruiden en struiken nog dicht van structuur zijn. (In een volgend artikel zal aandacht besteed worden aan de specifieke biologische betekenis van graften en hoogstamboomgaarden en hun relatie met hun omgeving).

Flora

De natuurwaarde van holle wegen komt met name naar voren als blijkt dat een kwart van de plantensoorten die in Limburg voorkomen en met uitsterven bedreigd worden, ook in holle wegen voorkomen. Te denken valt daarbij aan de lancetbladige basterdwederik, rechte driehoeksvaren, wolfskers, hartgespan en nachtsilene.

Bedreigingen

Veel grondeigenaren hebben nauwelijks nog tijd om het hakhout te snoeien. Bovendien kan het brand- en geriefhout veel gemakkelijker verkregen worden. Het hakhout verliest hierdoor zijn functie. Hierdoor kan het bladerdak van de bomen en struiken steeds dikker worden, waardoor de bloemen en kruiden nauwelijks meer tot groei kunnen komen. Een en ander heeft tot gevolg dat de vegetatie op den duur eenzijdiger van samenstelling wordt. Door een te intensieve houtkap kan de samenstelling van het wegtalud ook verslechteren.

Hierdoor kunnen na een fikse regenbui erosiegaten in het talud ontstaan. Boeren die de ploeg te ver in de topkam, de rand van de holle weg, zetten, bereiken vaak ongewild hetzelfde effect: het regenwater  kan hierdoor nog sneller de bodem van de holle weg bereiken waardoor de uitspoeling van de grond nog grotere vormen aanneemt.

Verruiging
Tenslotte vormen de kunstmeststoffen een bedreiging voor het vegetatiemilieu. Na inspoeling of inwaaiing wordt het milieu in de berm verstoord wat onder meer gevolgen heeft voor de oorspronkelijke vegetatie. De oorspronkelijke vegetatie wordt hierdoor verdrongen door planten als brandnetel, bijvoet, hennepnetel, kleefkruid en een groot aantal grassoorten als kropaar, glashaver en witbol. Zelden worden holle wegen compleet opgeruimd bij perceelsvergrotingen of wegconstructie. Ook neemt  men de nodige voorzichtigheid in acht bij het verbreden van een holle weg. Doordat het hakhout niet tijdig gekapt wordt, kan de kruidenvegetatie verstikt worden onder het gesloten bladerdak. Diverse lichtminnende planten en dieren zullen hierdoor op den duur verdwijnen. Op deze wijze kan achterstallig taludonderhoud ecologische bedreiging inhouden.

Door de grote verschillen in samenstelling van de bodem ontstaan op korte afstand ook allerlei verschillen in begroeiing. Onder invloed van de zon ontstaan ook allerlei verschillen tussen de linker- en rechterzijde van de weg. Op de zonbeschenen kant komen daardoor meer warmteminnende plantensoorten voor.

Hierdoor heeft de holle weg naast de landschappelijke en recreatieve waarde ook een belangrijke natuurwaarde. Ecologen staan op het standpunt dat het uitdunnen en begrazen van de hellingen een gunstig effect heeft op de in de biotoop aanwezige planten en dieren. Bij het beheer en onderhoud van de holle wegen gaat IKL er van uit dat de biologische waarden behouden moeten worden. Bovendien wordt bij de keuze van het onderhoud rekening gehouden met de huidige functie van de weg als verkeersverbinding of waterafvoer. Ook de belangen van de naastgelegen grondgebruikers wegen mee.

Behoud
In de toekomst zak er voor gewaakt moeten worden dat deze holle wegen niet versnipperd raken. Als holle wegen slechts gezien worden als verbindingsweg voor auto’s, dan is het einde van deze landschapselementen in zicht. Want hiermee worden de  functies voor flora en fauna ondergewaardeerd. Zij maken namelijk ook veelvuldig gebruik van deze verbindingswegen. Met name vogels, maar ook dassen, steenmarters en een aantal vleermuizen gebruiken deze landschapselementen als weg tussen verblijfszones. Ook amfibieën als de alpenwatersalamander en kleine watersalamander en pad zijn voor hun voortbestaan op het land afhankelijk van deze holle wegen. Het voortbestaan van deze holle wegen hangt dan ook nauw samen met de inzet van hoog (provincie, landinrichtingsdienst) tot laag (landbouw, gemeenten en landschapsbeheerders).