Een kunstmatige ‘bolle berg’ in het landschap, of een verhoogd wallichaam die aangeduid wordt als landweer verborgen achter struikgewas. Bij tijden van oorlog of ontij ooit van levensbelang voor de de bewoners van een gebied. Het zijn de stille getuigen van een bewogen geschiedenis die soms letterlijk in het landschap als voetnoot in een geschiedenisboek ‘gelezen’ kunnen worden. Maar hiervoor is het wel van belang dat de deze archeologische en cultuurhistorische landschapselementen zicht- en herkenbaar zijn én blijven.
De stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen in Limburg, IKL voert al meer dan vijftien jaar beheer en herstelwerk uit aan archeologische landschapselementen in onze provincie. Voor het behoud is beheer en herstelwerk cruciaal. Bovendien moet het verhaal wel gedeeld worden met de samenleving. Pas na het delen van de informatie zal het zich vermenigvuldigen. Een verhaal over de praktijk van het archeologisch landschapsbeheer in Limburg.
Een goede landkaart geeft op een overzichtelijke wijze informatie over een landschap en de wijze waarop een mens hiervan gebruik maakt. Maar een erg rijke informatiebron kan ook het landschap zelf zijn. Losse landschapselementen als houtwallen, bosjes, poelen, vennen, knotbomen, hoogstamboomgaarden , holle wegen, grafheuvels en landweren vertellen namelijk ook iets over de sporen die de natuur én de mens in het verleden achtergelaten heeft. Vooral voor de geschiedenis van de landbouw en de bewoning van een gebied is het landschap als kennisbron erg belangrijk. Zo heeft de landbouw in de loop van de geschiedenis relatief veel sporen in het landschap achtergelaten: heggen en houtwallen markeerden grenzen. Knotbomen voor geriefhout en hoogstamboomgaarden voor fruit. Veel zaken die voor vroegere mensen te vanzelf spraken om op papier te worden vastgelegd, zijn vaak nog in het terrein herkenbaar.
Door deze elementen in beheer en onderhoud te nemen, blijven deze ‘bakens in het landschap’ behouden voor toekomstige generaties. Dat is een belangrijk gegeven omdat dit erfgoed ons vertelt wie we zijn, wat onze voorouders deden, maar ook wat ze nalieten. Als inspiratiebron voor de toekomstige inrichting van een gebied is dat een belangrijk uitgangspunt voor de stichting IKL. In 1997 startte de stichting IKL met een grootschalig project voor het herstel en behoud van meer dan zestig archeologische terreinen. Het ging daarbij om losse elementen als grafheuvels uit de brons en ijzertijd, een Romeinse wachttoren (Valkenburg), Romeinse wegen en voormalige verdedigingswallen of landweren. Het werk door IKL bestond uit het wegnemen van directe bedreigingen en verstoringen.
Het werk vondt plaats op basis van een selectie. Limburg met zijn afwisselende landschappen beschikt namelijk over een goed gevulde archeologische schatkamer. Alléén al bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) zijn 616 archeologische terreinen bekend. Het kan dan gaan om voormalige bebouwingen als Romeinse villa’s, kasteelmottes of boerenbergen (voorlopers van kastelen in wording) en eenvoudige verdedigingswerken als schansen of oude begraafplaatsen als grafheuvels en urnenvelden.
Wegnemen bedreigingen
Het herstelwerk aan de archeologische objecten door de landschapsverzorgers van de stichting IKL bestaat in een groot aantal gevallen uit het wegnemen van de directe bedreigingen. Zo werd voor de bescherming van de elementen en de verhoging van de zichtbaarheid de bomen en struiken op en rond de objecten gekapt, wanneer ze een directe bedreiging vormen voor het eventuele element. Bij een eventuele storm kunnen de wortels en de takken van de bomen en struiken (windworp) namelijk het profiel van het object beschadigen. Bovendien neemt de overwoekerende begroeiing vaak het zicht (en daarmee de belevingswaarde) van het object weg. Om dit tegen te gaan wordt naast het kapwerk vaak ook de begroeïng gemaaid.
Beschadigingen
Ter voorkoming van verdere schade werd veelal in handkracht gewerkt. De inzet van zware machines als tractoren blijft daarbij veelal beperkt. In een aantal gevallen is het grondprofiel van beschadigde taluds hersteld door het handmatig aanbrengen van plaggen. Hierdoor wordt de oorspronkelijke vorm weer zichtbaar. De beschadigingen kunnen bestaan uit dierenholen, vergraving door de mens of door mechanische schade door bijvoorbeeld een ploeg. Tenslotte zijn ook Midddeleeuwse verdedigingslinies of landweren vrijgesteld van zware bomen en vervolgens weer beplant met doornachtige struiken, indien dat in het verleden ook het geval is geweest. Veelal vindt dat plaats op basis van stuifmeelonderzoek.
Afstemming
Dit werk aan de belangrijke archeologische elementen gebeurt natuurlijk niet op eigen houtje, maar altijd op basis van een grondige voorbereiding en afstemming vooraf met héél veel partijen. Uit de jaren tachtig dateert de samenwerking tussen IKL en de de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) toen jaren achtereen tientallen grafheuvels op de Boshoverheide (het grootste grafheuvelcomplex van West-Europa) werden hersteld.
Vanaf 1997 is in samenwerking met plaatselijke heemkundigen en de provincie Limburg, de ROB, de Archeologische Monumentenwacht (AMW) gewerkt aan een structurele regeling voor het herstel, onderhoud en een regelmatige inspectie van 65 archeologische landschapselementen. Door een goede taak en rolverdeling kan dit project tot een succes worden gemaakt. De ROB (onderzoek) en de provincie (beleid) droegen zorg voor de kennis. De stichting IKL zocht de samenwerking met alle betrokken partijen en verzorgde voor de financiering en de uitvoering. Tenslote draagt de AMW zorg voor een regelmatige inspectie.
De ROB voerde het veldonderzoek en de vakinhoudelijke ondersteuning uit van 97 archeologische landschapselementen op 60 terreinen. Bij nader onderzoek door de ROB in het terrein bleek dat niet alles even waardevol is, wat aanvankelijk werd aangenomen. Hieruit kwam aan het licht dat 20 van de 39 elementen toch niet die veronderstelde archeologisch waarde te hebben. Zo werd in Nuth herstel uitgevoerd aan een ‘grafheuvel’. Achteraf bleek dat een misser. Het was een zandberg in een voormalige Engelse landschapstuin, een zogenaamde ‘folly’. Ook hieruit blijkt weer dat onderzoek vooraf geen overbodige luxe is.
Daarnaast bleek dat vijf elementen onherstelbaar beschadigd waren door ploeg of bouwwerkzaamheden, waarbij men voorbij was gegaan aan de historische betekenis van deze plek. Herstelwerk werd dan ook verder niet meer zinvol geacht.
Ter voorbereiding aan alle herstelwerk vond een historisch bronnenonderzoek door een archeoloog plaats en werd overleg gevoerd met goed ingevoerde plaatselijke heemkundig en geschiedkundigen die terzake een hele grote deskundigheid aan de dag leggen. Naast de kennis over de archeologische betekenis is toestemming van de grondeigenaar voor het herstel echter even cruciaal. Bij een gemeente of een natuurinstantie is dat veelal geen probleem. Maar bij een grondeigenaar die bijvoorbeeld het terrein als landbouwer in gebruik heeft, kan dit anders liggen. Uiteindelijk gaven vijf van de 51 eigenaren geen toestemming te geven voor de uitvoering van het werk. Bekeken moet worden of deze particuliere eigenaren van archeologische objecten voor een of andere subsidie in aanmerking kunnen komen voor het ontzien bij landbouwkundig gebruik. IKL verwacht dat eigenaren op deze wijze eerder bereid zijn om medewerking te verlenen aan herstelwerk.
Vondst – plek én verhaal
Archeologen maken onderscheid tussen drie zaken: de vondst, de plek en de verhalen. De vondsten of aangetroffen voorwerpen ooit gedaan in het landschap gaan veelal naar musea of komen in depot terecht. Maar evenzeer is de plek in het landschap van belang met daarbij de verhalen, want het zijn er vaak meer naast elkaar, die iets vertellen over de achterliggende betekenis.
Om die reden werd groot belang gehecht aan een goed bronnenonderzoek vooraf en een gedegen informatievoorziening naar alle partijen. Gemeenten en eigenaren moeten goed voorgelicht worden over de waarden en betekenis van de elementen. Veelal is die niet bekend. Dat is ook een van de redenen waarom er in het verleden veel cultuurhistorische en archeologische elementen verdwenen. Naast een grondig vooronderzoek en contacten met betrokken plaatselijke deskundigen is veelal de publiciteit gezocht voorafgaand aan het werk. Op deze wijze werd de streek tijdig geïnformeerd over het nut en de noodzaak en de achterliggende motieven om dit object te behouden. Na het aandragen van de informatie kan pas waardering ontstaan voor de plek.
Tenslotte werden bij een aantal interessante plaatsen ter verhoging van de belevingswaarde van het terrein, voorlichtingspanelen geplaatst die nadere uitleg gevenover de betekenis van de landschapselementen. Dat was onder meer het geval bij een dubbele landweer op de Groote Heide in Venlo en de Landweer De Keup bij Kessel, de Heksenberg bij Schrieversheide in Brunssum en de wallen van Stein.
De betekenis van de karakteristieke eigenschappen die in het landschap af te lezen zijn, wordt gelukkig steeds meer onderkend. Op die wijze wordt het landschap weer een open boek waarin de lokale of regionale geschiedenis van de menselijke groep te lezen is. Iets wat van belang is voor het plaatselijk bewustzijn of de identiteit. Al deze archeologische elementen verwijzen namelijk naar de wortels van de huidige gemeenschap.
Deze betekenis blijkt niet alleen uit de belangstelling van pers en publiek (open dagen), maar ook vanwege het feit dat de toeristisch recreatieve betekenis steeds meer onderkend wordt. Overigens betekent dat niet dat alleen de toeristisch-recreatief interessante objecten in onderhoud en beheer moeten worden genomen. Niet alle plekken zijn geschikt om toegankelijk of geheel zichtbaar te maken. Vandaar dat het verhaal achter de vondst of plek van groot belang blijft. Door de verhalen kunnen mensen zich inleven, kan het een gevoel oproepen. IKL werkt momenteel aan de voortzetting van het herstelproject.
Elke plek heeft zijn eigen verhaal
De Wallen van Stein
De noordelijke landweer van Stein aan de Koestraat en de Koeveldweg (zuidelijk deel) zijn de thans nog duidelijk zichtbare delen van een Middeleeuws aarden verdedigingsstelsel die ten noorden, oosten en zuiden rond Stein heeft gelopen. Het bestond uit een binnen en buitenwal met een binnen en buitengracht. De wallen vielen samen met de grenzen van de Middeleeuwse Heerlijkheid Stein. Het talud van de wallen was beplant met ondoordringbare, doornige struiken die voorkwamen dat plunderaars de bezittingen en het vee van de inwoners van Stein roofden. Ze zorgden bovendien dat het loslopend vee niet op de akkers met vruchten kon komen. Een deel van de het wallencomplex is nog duidelijk te zien aan de Koeveldweg (Stein-zuid) en de Koestraat (Stein-noord). Deze plaatsbenamingen duiden er op dat de grachten of dieper gelegen wegen ooit in gebruik waren als veedrift: langs deze routes werd het vee naar de buiten de wallen gelegen gemeenschappelijke weidegronden geleid.
Heerlijkheid Stein
De exacte datering van de landweer rond Stein is onbekend. Aangenomen wordt dat het op zijn vroegst dateert uit de 13e-14e eeuw. De grenzen van de Middeleeuwse heerlijkheid Stein vallen namelijk min of meer samen met de landweer. Uit historische documenten en archeologische opgravingen valt af te leiden dat Stein ooit aan drie zijden omsloten was door een opeenvolging van grachten met dicht begroeide wallen. Alleen aan de Maaszijde werd vertrouwd op de natuurlijke barrière van de rivier.
Op enkele plaatsen werden de wallen onderbroken door enkele wegen waar tol werd geheven. Ter verdediging van deze doorgangen lagen aarden heuvels, waarop wachtposten stonden. Naast de hoge archeologische waarde vormen de wallen van Stein een groen lint op de overgang van de bebouwing en het buitengebied.
